Kots en de kunst van het stenen stapelen

De zwaartekracht trekt alles loodrecht naar beneden. Het is dan ook de kunst om van elke steen de kern te vinden. En die kern recht boven de kern van de de daar onderop liggende steen te plaatsen. Hoe beter de kernen van de diverse stenen loodrecht op elkaar liggen, hoe beter de zwaartekracht z’n werk kan doen. In principe kun je zo elke steen bovenop willekeurig elke andere steen plaatsen en enorme torens bouwen. De praktijk is uiteraard een stuk weerbarstiger.

Onze camping ligt naast een klein beekje midden in de machtige Pyreneeën. De rotspartijen die boven ons uit torenen doen me denken aan die in Arizona. In de bocht van de rivier hangt een touw aan een boom. Paradijs op aarde.

Welcome to hell, had de campingbaas gezegd toen we aankwamen. Het was 36 graden Celsius. Geen bosbranden?, vroeg mijn vrouw in de hoop op een beetje goed nieuws. Not yet, zei de campingbaas. Aan het meisje achter de bar vroeg mijn vrouw of het volgende week wat koeler zou worden.Next week is gonna be horrible, zei ze.

Ze winden er hier geen doekjes om.

——

De avond ervoor hadden we inhet Ibis Budget in Limoges Nord geslapen. Hoewel de wegen rond Parijs behoorlijk dicht zaten, kwamen we hooguit een half uurtje later dan verwacht in ons hotel. Slechts één keer had ik een afslag gemist.

Naast het raam dat uitkeek op de snelweg stond een eenpersoonsbed dat direct in beslag werd genomen door onze zoon. Met als logisch gevolg dat onze dochter in het eenpersoonsbed boven ons tweepersoonsbed zou slapen.

Mijn dochter lag te lezen. Ze hield op omdat ze misselijk was. Op zich niet vreemd, gezien haar voedselinname. We hadden een stuk of dertig zelfgemaakte worstenbroodjes mee. Mijn dochter eet die worstenbroodjes het liefst zonder de worst. Zompig witbrood gedrenkt in varkensvet. De worst krijg ik. Ze had verder driekwart pak Autodrop Total Loss op. Een halve zak wokkels. Bij het wegrestaurant een half bord frietjes. En chocoladepudding.

Probeer te kotsen, zei mijn vrouw. Mijn dochter vroeg hoe. Mijn vrouw zei dat ze een vinger in haar keel moest steken. Probeer goed, diep en rustig te ademen, zei ik. Zoek je kern op. De misselijkheid nam toe. Ze ging beneden slapen. Ik naar boven. Steek je vinger in je keel, zei mijn vrouw. Mijn dochter ging naar de wc. Kotsen lukte niet. Ze ging weer naar bed. Weer naar de wc en halverwege klotste de kots op de vloer. Mijn vrouw uit bed. Ik ook. Mijn dochter hing boven de wc. Mijn vrouw stond liefdevol naast haar. Ik vroeg wat ik kon doen. Ga maar een dweil halen.

Achter de balie stond een kleine donkere vrouw met blonde krullen. Ik zei dat mijn dochter mallade was. Of ze iets had om mee te cleanen. Ze vroeg wat het nummer van mijn kamer was. Trois cent neuf, zei ik. Ze noteerde het in de computer. Voor de cleaning ladies, zei ze. Ik vermoedde dat het Ibis Budget haar niet heel erg goed betaalde. Goedkoop personeel is een eenvoudige manier om je budgethotel winstgeven te houden. Ze kwam met een minuscuul emmertje aan.

Mijn vrouw was al behoorlijk ver gevorderd in het schoonmaken. Ik gaf haar het emmertje en begon de kots naast het bed op te ruimen met wc-papier. Ze hoorde mij kokhalzen. Ga maar schoonmaakmiddel halen, zei ze.

Op mijn telefoon zocht ik op wat schoonmaakmiddel in het Frans was. Aan de donkere vrouw met de blonde krullen vroeg ik of ze ook agent nettoyage had. Ze begreep me niet. Soap begreep ze wel. Ze gaf me een fles schoonmaakmiddel mee. Er was niet zoveel meer, zei ze. Ik schudde met de fles. Een armzalig bodempje. Of ik de emmer met het schoonmaakspul bij de balie wilde neerzetten als ik klaar was. Zij ging beneden in de kelder wasjes draaien.

Boven was de boel al bijna opgeruimd. Mijn dochter stond onder de douche. Ze voelde zich nog steeds misselijk. Het had wel iets opgelucht, maar niet alles. Ze zei dat ze wilde dat haar broer misselijk was, niet zij. Haar broer lag jaloersmakend rustig te slapen. Het schoonmaakspul geurde naar potpourri.

Die nacht kotste mijn dochter nog een paar keer keurig in een emmertje naast haar. Ik merkte er niets van, ik sliep er doorheen.

——

Het opzetten van de tent ging verrassend smooth, ondanks de bloedhitte. Zelden zo weinig gekibbeld en zo snel een rechtop staande tent gehad. Nadat we klaar waren gingen we zwemmen. De stroming was fors. Onze dochter voelde zich ook weer goed. We aten in het café en kropen volmaakt gelukkig onze slaapzak in.

De volgende ochtend liepen mijn vrouw en ik langs de rivier naar het dorpje. Het was een half uur lopen. Bij het dorp dronken we een cortado op het terras. Daarna naar de supermarkt naast het terras. We kochten pasta met tomatensaus en spekjes. En brood en yoghurt. En wijn.

De rest van de dag deden we niet veel meer dan zitten en lezen en zwemmen. Of in het beekje. Of in het zwembad. Bij het beekje slingerden we met het touw het water in. ‘s Avonds aten we de pasta, dronken we een wijntje en liepen we stroomopwaarts langs de rivier op zoek naar een ander idyllisch zwemplekje.

Terug op de camping stoof mijn vrouw naar de wc. Daar kotste ze de wijn en de pasta uit. Ze vreesde het al. Was een tijdje in de ontkenningsfase blijven zitten. Hopelijk zou het bij die ene keer blijven.

Nadat ze twee van de vijf vuilniszakken had volgekotst ging ik naar het café om nieuwe vuilniszakken te halen. Ik kreeg er drie mee. De rest van de nacht schoot ik wakker wanneer mijn vrouw haar maag ledigde. Was ze klaar met kotsen, ging ik de tent uit om het volgekotste zakje naar de vuilniszak te brengen.

De volgende dag zwom ze zo nu en dan. Of lag ze op het luchtbed haar verloren nachtrust in te halen. Beetje bij beetje voelde ze zich wat beter. Ze at wat yoghurt. Of droog stokbrood.

—-

Die avond maak ik kip met rijst. Ik zet het water op. Geen gas meer. Campingaz heeft een uniek systeem: door heel Europa vind je altijd wel een inruilpunt in de buurt. Het is alleen avond, geen inruilpunten die open zijn.

Van onze buren kan ik ook geen gas lenen. Die hebben zelf niet zoveel meer. Los daarvan, ze hebben een andere aansluiting. Mijn gasstel kan niet op hun gasfles. Terwijl ik met de buren praat, komt de campingbaas met zijn eenpitter.

Ondertussen kruipt de misselijkheid ook bij mij naar binnen. Baant zich een weg naar het midden van mijn lichaam in een poging mijn kern te doen wankelen.

Ik kook de rijst. Bak de kip. Bak de rijst in het vet van de kip. Alleen mijn dochter heeft honger. Ik raak de kip niet aan. Mijn zoon ook niet. Mijn vrouw al helemaal niet. Allemaal kippetjes die voor niks zijn gestorven. Wij maken ons op voor een volgende met kots gevulde nacht. Voor het slapen ga ik nog naar het toilet. Diarree.

Om niemand tot last te zijn, slaap ik in de cabine waar mijn zoon normaal slaapt. En waar mijn vrouw de nacht ervoor de binnenste ringen van de hel had bezocht. Door diep in en uit de ademen probeer ik te voorkomen dat ik ga kotsen. Ik zoek mijn kern op. Je denkt alleen maar dat je moet kotsen, zeg ik tegen mezelf. Adem rustig in. Adem rustig uit. Ik lig op de slaapzak en onder het laken. Onder het laken en onder de slaapzak. Op het laken en onder de slaapzak. Ik blijf mijn misselijkheid wegademen. Plaats mijn kern loodrecht boven de aarde. Op m’n rug. Draai op m’n zij. Dan weer op m’n rug. Hou m’n kern zo rustig mogelijk.

Zolang ik maar niet rechtop zit. Als ik rechtop zit ben ik verloren. Als ik rechtop zit, kantelt mijn kern zich en moet ik me overgeven aan het overgeven. In de verte blaast een kat. Een hond begint te blaffen. De hond blijft blaffen. Houdt me de rest van de nacht wakker. Totdat ik in slaap val.

——

De volgende dag ga ik op zoek naar een campingaz-inruilpunt. Op de site van campingaz lees ik over hun unieke inruilsysteem. Overal in Europa hebben ze inruilpunten. Behalve in Noord-Europa. En in dit specifieke stukje Spanje. Ik vind uiteindelijke een inruilpunt op twintig minuten rijden. In Sort.

Bij de ferretaria in Sort hebben ze wel wat van campingaz, maar niet mijn formaat. De man van de ferretaria zegt dat ik misschien meer geluk heb bij gasoline station in het centrum. Die vind ik niet. Ik vind wel een andere doe-het-zelfzaak. Die raadt me aan om het benzinestation net buiten de stad te berzoeken. Daar hebben ze ook geen campingaz maar een ander merk. Ik rijd weer terug. Voorbij de camping, richting ons dorpje. Naar de ferretaria. Die hebben wel campingaz, niet mijn formaat.

De rest van de dag lukt me weinig. Beetje zwemmen. Beetje stenen stapelen. Geen enkele steen blijft staan. Beetje lezen. Na elke drie regels worden m’n oogleden zwaar. Ik soes weg in de hangmat. Mijn vrouw legt een laken over m’n lichaam en een hoed over m’n hoofd zodat ik niet verbrand. Het is de warmste dag tot nu toe, graadje of 39. Als het er geen 40 zijn.

——

De volgende ochtend voel ik mij als herboren. We gaan de bergen in, waar het tien graden koeler is. Onze zoon voelt zich alleen niet zo lekker. Maar dat heeft hij vaker als hij een bochtige autorit voor de boeg heeft. Hij mag voorin.

De kabelbaan zou om 12.30 uur vertrekken. We hebben één uur en een kwartier uitgetrokken voor de reis van 45 minuten. Halverwege stoppen we om onze zoon de gelegenheid te geven zijn misselijkheid te laten zakken. Na vijf minuten weer verder. Weer vier minuten later stoppen we nog een keer. Na een kwartier weer verder. De kabelbaantocht van 12.30 uur gaan we niet halen.

De cabine gaat tergend traag naar boven. Ik denk aan een kabelbaan in Italië die een paar jaar geleden los schoot vanwege gebrekkig onderhoud. Het gekraak en gepiep doet vermoeden dat het onderhoud van deze kabelbaan ook te wensen over laat.

We storten niet neer. We nemen wij de route naar links, terwijl de rest van de inzittenden naar rechts gaan. Het paadje is smaller en rotsiger dan ik had gedacht. Onze zoon lijkt zich weer opperbest te voelen. Hij pest zijn zus. Als hij zich niet goed voelt, heeft hij daar geen puf voor. We wandelen nog wat langs een stuwmeer. Daarna over de rails waar ooit waarschijnlijk een treintje reed om de bakstenen mee te nemen om de dam te bouwen.

Op de terugweg wordt zoonlief weer misselijk.

Die avond eten we droge worst, serranoham, stokbrood, paprika en patatas bravas. Daarna nog een koffie bij het cafeetje. Ik ga tafeltennissen met m’n zoon. Ik win met twee sets tegen één.

Rond half twaalf klinken er kotsgeluiden. Gelukkig hebben we een emmer met een plastic zak bij ‘m neergezet. Hij kotst keurig de plastic zak vol. Die ik vervolgens weggooi. Hoe voel je je?, vraagt mijn vrouw als hij klaar is. Wel goed eigenlijk, zegt hij. Een half uur later kotst hij nog een keer. Nu doet het pijn. Alle voedsel is eruit. Er komt enkel gal naar buiten.

——

Ik slaap naast hem. Voel halverwege de nacht even aan zijn enkels of hij nog leeft. Hij beweegt. Ik vrees dat hij wakker wordt en het weer op een kotsen zet. Maar de rust keert weer weder in zijn lichaam. Hij ademt gelijkmatig, het bloed stroomt kalm door zijn aderen. Nog even en de zon komt op. Dan zullen we de hele dag zo goed als niks gaan doen. Ik zal stenen stapelen. En als mijn zoon zich goed voelt zal hij mij uitlachen om de stenen die ik stapel en ik zal zijn lach dankbaar in ontvangst nemen, nu alles weer is zoals het hoort te zijn.

12 responses

  1. Ik weet zelfs nog dat mijn familie: mijn vader, moeder en oudste broer, in de jaren ’70 en begin ’80 altijd op zomervakantie gingen naar Zuid-Frankrijk (en een enkele keer naar Spanje en ook in Nederland) en dan inderdaad met een caravan en tenten. Een oom van mij uit Helmond zat zelfs in de caravanhandel ofschoon mijn moeder nooit bij hem een caravan kocht.
    Helaas hadden ze op sommige campings, vooral bij Fréjus, zulke vreselijke en smerige toiletten waar je zelfs je hond nog niet eens heen bracht en op een gegeven moment kreeg iedereen in mijn familie een bloedhekel aan kamperen! Mijn vader kampeerde voor het laatst in 1984, mijn broer voor het laatst in 1986 en mijn moeder voor het laatst in 1988.
    We waren blijkbaar allemaal het kamperen in de krappe caravans en tenten gewoon meer dan beu aan het worden ofschoon de Franse Gendarmes in 1986, nabij Lyon en nog wel op een snikhete avond bij een tol, in de caravan op zoek gingen naar drank waarbij ze een afgedekte koelbox over het hoofd zagen waar zich enkele flessen in bevonden!
    Zelf deed ik nog in 1997 een keer onbedoeld aan (wild)kamperen in Duitsland, ten oosten van Berlijn in een merengebied wat mij later danig de keel uithing omdat ik eigenlijk liever naar het toilet ging in een hotel , restaurant en café.
    Bovendien had ik in de jaren ’90 zelfs nog meegedaan aan zomervakanties met de reisorganisatie, ‘Het Buitenhof’, en voor mij waren deze vakanties helaas ook verre van geweldig omdat zij strikt georganiseerde reizen ondernamen met hulpbehoevende mensen! En ik ga daarom ook veel liever alleen op treinreizen in Duitsland waar ik me stukken beter bij voel!

  2. Nou, jij maakt nog eens wat mee zeg! Lief vakantiedagboek, gisteren vond ik nog geheel ongebruikte wc-rol in de bosjes. Pff
    Vakanties zijn een collectief waanidee en een ons aangepraat bedenksel van het kapitalisme dat er een zeer lucratief verdienmodel van heeft weten maken. Meerdere landen drijven er zelfs grotendeels op als BNP.
    Reizen is mooi en verheffend, vakantie is waanzin

  3. Vakantie: geniet ervan! Wij hebben twee weken met de katoenen tent op een heuvel aan een Oostzeestrand gestaan. Zonder kostsfestijnen. Je kunt zeggen wat je wilt maar Scandinavisch landen zijn over het algemeen toch hygiënischer dan de zuidelijke. Het eten is er echter ook minder lekker. De mensen eten er vooral aardappelen met worst!

  4. Dit kwam waarschijnlijk allemaal door het kijken naar Zomergasten op jullie tablet met Ziggo Go?
    Zelf wilde ik na afloop van de uitzending mijn meubilair kapotslaan, maar de meeste van mijn meubels zijn al kapot, dus ben ik maar een flink stuk gaan fietsen.

  5. Verstandige jongen ben je toch. Maar nee, ik heb nog geen zomergast gezien dit jaar. Te druk bezig met kotsen en kots opruimen. Inmiddelszijn we overigens wel leeggekotst.

    Momenteel zitten we vlak boven Barcelona op een veel te grote camping aan het strand. Gisteren kwam er een familie met drie kinderen in de leeftijd van twee tot zeven jaar. Gisteravond hoorde ik ineens kindergehuil en daarna kotsgeklater. Vanochtend zat het oudste jongetje in een stoel te slapen. Geplaagd door onrustige dromen. Z’n moeder naast hem. Zo nu en dan werd ie wakker om te kotsen en te jammeren. Ik vrees voor ze dat zij hetzelfde virus hebben als wij (waarschijnlijk het noro, nog in NL opgelopen) en dat ook zij allemaal aan de beurt gaan komen. Alleen is het hier wat verder lopen naar de wc en moet je meer trappen op en af.

    Mijn vrouw vindt dat ik me teveel verkneukel om het lot dat deze familie te wachten staat. Ik kan een grijns niet onderdrukken als ik het erover heb. Het is denk ik de vreugde dat wij de hel reeds achter de rug hebben. Tegelijkertijd heb ik ook echt wel met ze te doen.

Laat een reactie achter bij Rigo Reus Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *