Reve tot leven

De afgelopen week woonde ik in Reve tot Leven, de reeks interviews die de Vlaamse radiomaker Lieven Vandenhaute maakte met tien zelfverklaarde Revianen, waaronder zijn eigen levensgezel Erwin Mortier.

Vandenhaute heeft Reve persoonlijk gekend. Samen met Mortier heeft hij zelfs een aantal dagen met hem vertoefd op diens Geheime Landgoed in Frankrijk. Vandenhaute vond het fascinerend, Mortier intimiderend, lijkt zelfs lichtelijk getraumatiseerd. Reve liet de twee geen moment met rust en kon het ene moment in een soort dronken razernij vervallen om het volgende moment weer de redelijkheid zelve te zijn.

De herinneringen die de twee aan dit verblijf ophalen, grenzen aan het voyeurisme, maar aangezien the singer and the song bij Gerard Reve nagenoeg samenvallen, is dit gerechtvaardigd. Het is ook een van de rode draden van de serie: alles is precies zoals Reve het beschrijft. Maar tegelijkertijd ook weer niet. Reve was een wandelende paradox. Als hij iets niet meende, dan meende hij het tegelijkertijd wel. De grap is ook ernst. Hij is de rol die hij speelt. Of, zoals Christophe Vekeman zegt: de façade is het huis. Daarom is zijn befaamde ironie ook zo moeilijk te vatten. Het is geen eenduidige ironie die het tegenovergestelde zegt van wat je wilt zeggen. Reve zegt wat hij wil zeggen, ondermijnt het met een grap, waardoor hij de grond onder z’n eigen voeten vandaan haalt en het tegenovergestelde zegt van wat hij wil zeggen, maar tegelijkertijd zegt hij met het tegenovergestelde wel degelijk wat hij wil zeggen. Het is een dubbeltje dat je kunt blijven omdraaien. Een bodemloze put. Even ongrijpbaar als onweerstaanbaar.

De gesprekken in Reve tot Leven worden verlevendigd met uitgebreide fragmenten waarin Reve zelf en mensen die hem hebben gekend aan het woord komen. In de aflevering met Herman Brusselmans zit bijvoorbeeld een integrale radio-uitzending uit het jaar 1979, waarin drie personages uit De Avonden (waaronder Karel van het Reve) praten over het waarheidsgehalte van dat boek. In andere fragmenten horen we Gerard Reve uitgebreid praten over zijn homoseksualiteit, zijn religieuze gevoelens en zijn literaire opvattingen.

Naast bewonderaars zoals Herman Brusselmans, Paul Haenen en Saskia de Coster spreekt Vandenhaute ook met Revianen die Reve persoonlijk hebben gekend, zoals Ad Fransen, Jef Rademakers en Tijger en Woelrat. Op Jef Rademakers na schetsen ze allemaal het beeld van een man die dagelijks vocht met zijn demonen, die niet in staat was tot echt contact met een ander mens en verlossing zocht in alcohol, erotiek en religie.

Al luisterend kreeg ik meer en meer het idee dat het Reve’s destructieve egocentrisme en zijn misantropische wereldbeeld het gevolg waren van de worsteling met zijn geaardheid. De puberende Gerard liep met zijn ziel onder de arm (hij wilde er niet voor niets nooit aan herinnerd worden). Het schrijven De Avonden was op aanraden van een psychiater met wie hij zijn zielenroerselen besprak. In de pesterijen van Frits van Egters en in de sadistische uitspattingen van Werther Nieland, herkende Reve later uitingen van onderdrukte homoseksuele gevoelens. Tijdens zijn huwelijk met Hanny Michaelis wist hij wel degelijk dat hij op jongens viel. Tussen Werther Nieland en de bevrijdende coming-out als homoseksueel zoals beschreven in Op Weg Naar Het Einde liggen veertien jaar.
Ongeveer tegelijkertijd met de acceptatie van zijn geaardheid, heeft Reve ook zijn coming-out als katholiek. In de aflevering met Tijger en Woelrat, die eind jaren ’60 met hem een drie-eenheid vormden, wordt de oplossing gezocht in de dood van Reve’s moeder. Pas toen zij er niet meer was, hoefde Reve zich niet meer schuldig te voelen en was hij vrij om publiekelijk tonen wie hij was. Maar de knoop die een veertig jaar durende worsteling heeft opgeleverd, is niet zomaar ontward wanneer je eindelijk accepteert wie je in je diepste wezen bent. Al die tijd heb je een soort dubbelleven geleid, dat echoot na. Vandaar, denk ik, die altijd aanwezige dubbele bodem. En die rol die geen rol is.

Een enkele keer als Reve spreekt, is de relativerende laag die zo vaak tussen zijn woorden en zijn wezen lag afwezig. Een van de mooiste voorbeelden daarvan vind je in een interview dat hij eind jaren ’90 met journalist Ad Fransen had. Samen met Reve’s vroegere vrouw Hanny Michaelis was hij naar Machelen gereisd om herinneringen aan hun huwelijk op te halen. Nadat Michaelis de ene na de andere anekdote heeft verteld, schaterend over de beledigingen die zij van hem toegeslingerd kreeg (‘Jouw zogenaamde intelligentie is niets meer dan jouw behoefte om niet-Joden tegen te spreken’ vond ze de mooiste), neemt Gerard Reve ineens het woord om uit te leggen dat hij zich in dit leven nooit geborgen en altijd onveilig heeft gevoeld. Dat hij, zo lang hij zich kon herinneren, de angst had om in de eeuwige nacht achtergelaten te worden:

‘Ik kom in een trein terecht, een elektrieke trein. Overal in die trein brandt licht. Maar er is niemand in die trein. Behalve ik. En die trein, die rijdt het heelal in, met in alle eeuwigheid toenemende snelheid, zich voor eeuwig verder verwijderend van God.’

Ik kreeg het er koud van.

7 responses

  1. Ik zit er ook lekker in… Vond Christophe Vekeman tot nu toe de beste duider. Ik ben het door onze hapslikwegmediamaatschappij helemaal ontwend om naar fragmenten te luisteren die langer duren dan 30 seconden, merkte ik al bij mijn eerste aflevering (met Brusselmans). Presentator: We gaan nu even naar een fragment van dit of dat radioprogramma uit 1979 over De Avonden luisteren. Het was erg interessant allemaal, dus het duurt een half uur. Brusselmans: Oke. (Volgt een fragment van een half uur.) Daarna gewoon weer verder praten.
    Waarom wordt er voor deze podcast niet uitgebreid geadverteerd voor en na Marble Mania, om maar eens een goed bekeken tv-programma te noemen? Nu stuitte ik er per toeval op, een beetje klikkend door die rare Spotify-userinterface met zijn ‘bibliotheek’.
    O ja, vannacht hoorde ik de speech van ministeres Marga Klompe bij de uitreiking van de P.C. Hooft-prijs aan Reve, natuurlijk ook integraal, dat was geloof ik ook in de aflevering met Vekeman? (Ik had wat rode wijn op.) Ik weet niet of het aan de wijn lag, maar het intellectuele niveauverschil met een willekeurige minister van nu was nogal shocking. En dan heeft ze ook nog het grootste gedeelte van onze mooie Utrechtse singels gered, back in 1970. Ole Klompe! (Geen zin om de accenten erbij te zoeken.) Leve Reve!

    • Ole Klompe… klinkt als een Noorse langlaufer. Maar het is waar hoor, ik schrok me ook te pletter toen de heer Vandenhaute een fragment van een half uur aankondigde. En ook ik was aangenaam verrast door de speech van Olé. Het is allemaal heel fijn, je vraagt je af waar we het aan verdiend hebben.

      • Klompé weigerde eens een hoge post (welke?) op grond van dat ze er te weinig van wist. Die post werd vervolgens aan een of andere onbenul (wie?) vergeven die er niets van bakte. Wat tegenwoordig bijna een vereiste lijkt te zijn, op kersverse minister Kuipers na.

  2. Ik heb net de serie grotendeels uitgeluisterd en het was de moeite waard. Om met JF Kennedy te spreken: zijn wij niet allen Reviaan? En nu is het tijd voor muziek, maar omdat dit een literair blog is zal ik alleen een songtekst copypasten. Het album en de muziek kunt u er desgewenst zelf bij zoeken!

    Only of the night
    And it’s darkness am I calling
    Only of the night
    My relief in it’s falling
    Breathe on me
    Eclipse my mind
    It’s in some kind of disarray
    Killing time,
    I cradle fire
    Chameleon day

  3. Wat ik nog wel even wil opmerken dat de kerk voor een beroemde volksschrijver (en een overige geprivilegieerde bovenlaag) een stuk gezelliger is dan voor Jan met de pet. Bij de eerste komt de pastoor gezellig converseren en borrelen, bij de tweede komt de pastoor om schuldbesef en geweten te schoppen. Maar goed, dat is de orde der dingen wellicht. Ieder zijn deel zoals Reve zou zeggen.

Laat een reactie achter bij Oxysept Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *