Zomergasten met Inez Weski

‘Ik ga niet in op allerlei persoonlijke achtergronden’, zei Zomergast Inez Weski toen presentatrice Janine Abbring haar vroeg wat voor soort opvoeding ze had genoten. Iets eerder had ze al laten blijken dat ze de vraag hoeveel katten ze had, eigenlijk al te ver vond gaan. (Ze heeft er vijf, gaf ze na enig aandringen toe.) En nog iets later zou Abbring verzuchten: ‘Je wilt zelfs niet vertellen waar jouw hang naar privacy vandaan komt.’ Het moge duidelijk zijn: Inez Weski was a hard nut to crack.

Eigenlijk is elke aflevering van Zomergasten een puzzeltje. De antwoorden, de fragmenten en alles wat onbesproken blijft: er ontstaat in die paar uur dat het programma duurt onherroepelijk een beeld van de Zomergast in kwestie. Het aardige van de puzzel die Zomergasten met Inez Weski heet: Janine Abbring wilde een puzzel leggen die haar gast niet bereid was op te laten lossen. Abbring wilde per se weten welke persoonlijke wetenswaardigheden er achter Weski’s wereldbeeld schuilgingen. Weski had daar geen zin in. Zo nu en dan gaf ze een krimp, maar niet van harte.

Nadat Weski een fragment had laten zien uit Prosecuting Evil (Barry Evrich, 2018) over Benjamin Ferencz, hoofdaanklager in de Neurenberg-processen, vroeg Abbring of Weski bereid zou zijn geweest om een van de terechtstaande nazimisdadigers te verdedigen. Weski antwoordde dat ze alleen maar zaken aanneemt waarin ze zich vrij voelt om onafhankelijk te denken en dat dit hier niet het geval zou zijn geweest. Abbring wilde daar meer van weten, maar Weski vond dat onnodig.

Daarvoor, nadat ze een fragment had laten zien over de opkomst en ondergang van Mussolini, sprak Weski over de mythe van de laatste der rechtvaardigen: het idee dat er in elke generatie rechtvaardige geesten zitten die sterk genoeg zijn om tegen de druk van volksmenners en meute in te gaan. Abbring had hier wel van gehoord en noemde expliciet dat het om een joods idee ging. Weski negeerde deze etnische toevoeging, maar mijn eksteroog vertelde mij dat Abbring dit niet voor niets wenste te benadrukken.

Dat mijn eksteroog op scherp stond, bleek toen Weski een fragment over de Wit-Russische beeldhouwer Ossip Zadkine liet zien, de man die voor Rotterdam het beeld De Verwoeste Stad heeft gemaakt. Abbring herinnerde Weski eraan dat ze had getwijfeld om dit fragment te laten zien. Ze had, zo vertelde Abbring, zelfs aan haar zus gevraagd of ze er wel verstandig aan deed dit te tonen. Abbring wilde weten waarom. Ze wist het antwoord natuurlijk al, ze wilde het van Weski zelf horen. En die gaf toe: Weski was familie van Zadkine. Wat voor familie werd niet duidelijk, maar wat wel duidelijk werd: Weski’s roots lagen in hetzelfde Wit-Russische dorp waaruit de joodse Zadkine ooit was vertrokken.

Weski wilde in haar Zomergasten het wezen van de mensheid laten zien, in z’n hoop en in z’n wanhoop. Ze wilde laten zien hoe volksmenners werken. Hoe mensen volgers konden worden. Hoe de drang naar veiligheid en vrijheid met elkaar in conflict kunnen zijn. Hoe de groep je liefdevol kan opnemen en hoe diezelfde groep een gevaar kan vormen. Hoe de wil te ontsnappen aan het gewone zowel tot misdaden als tot kunst kan leiden. Abbring probeerde Weski ondertussen persoonlijke ontboezemingen te ontlokken. Volgens mij dus omdat ze een relatie vermoedde tussen Weski’s joodse afkomst en haar wantrouwen voor instituten.

In haar pogingen dat te doen, liet Abbring zo nu en dan iets interessants liggen, vond ik. Toen Weski een fragment liet zien uit The Secret Lives Of 4 And 5 Years Old had ik Abbring bijvoorbeeld graag wat scherper en kritischer gezien. We zagen twee groepen kleuters tegenover elkaar. Ze moesten vragen behandelen. De ene groep kreeg vragen van het kaliber ‘hoeveel poten heeft een hond?’, terwijl de andere groep geacht werd antwoord te geven op de vraag wat het grootste gebouw ter wereld was. Wanneer je een vraag goed had, kreeg de groep de keuze het gewonnen punt zelf te houden of aan de andere groep te geven. Een jongetje uit het makkelijke-vragen-groepje kreeg het steeds moeilijker met de oneerlijke situatie. Terwijl zijn groepsgenoten zich juichend het ene na het andere punt toe-eigenden, begon hij zich duidelijk zichtbaar van zijn eigen groepje af te keren. Totdat hij het niet meer hield en zei dat hij het gewonnen punt aan de tegenpartij wilde geven. Daar wilden zijn groepsgenoten niks van weten, waarna het jongetje van groep wilde wisselen. De vragensteller vroeg waarom. ‘Om er een nek-aan-nekrace van te maken’, zei hij. Weski zag in dit jongetje een laatste der rechtvaardigen. Dat zag ik ook wel, maar ik zag ook wel een lichte vorm van megalomanie. Want waarom dacht het jongetje er een nek-aan-nekrace van te maken als hij zich bij de tegenpartij zou voegen? Alsof hij wel wist wat het hoogste gebouw ter wereld was. Waardoor mij de vraag bekroop: moet je niet een beetje megalomaan zijn om het anders te willen doen dan de rest? En een andere vraag: waarom accepteert het jongetje die ongelijkheid in vragen eigenlijk? In plaats van zichzelf bij de underdog te voegen, had hij de vragensteller ook op zijn verantwoordelijkheden kunnen wijzen en een poging doen het systeem te veranderen! Hij beschouwt het als een fait accompli: de vragensteller valt niet te veranderen.

Ik zag een analogie met Weski’s kijk op de wereld en haar rol daarin. Als strafpleiter ziet zij zichzelf als het jongetje dat zich bij de underdog voegt. Zij krijgt vervolgens de moeilijke vragen, de tegenpartij wordt het maar makkelijk gemaakt. De rechtelijke macht en de overheid gedragen zich ondertussen steeds meer als de vragensteller: ze verzinnen de regels waar je bij staat. Abbring vroeg nog of het niet zou kunnen dat de overheid het beste met ons voorheeft. ‘Is een overheid niet, net als de verdachte, onschuldig totdat het tegendeel is bewezen?’, zei ze. Weski schoot in de lach. ‘En hinkelend huppelde ze vrolijk de studio uit.’ Zoveel naïviteit had ze lang niet tegenover zich gehad.

2 responses

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *