BACK TO THE ZOO

Ik ging met de dochter naar de dierentuin. Ouwehands om precies te zijn. Raampjes open, cruise control aan. ‘Waarom is zondag een rustdag’, vroeg ze. Het was maandag, maar het leek zondag. Ik vertelde over God die in zes dagen alles had geschapen. Eerst licht en donker, daarna het land en de zee, daarna alle planten en dieren. En op de zesde dag de mens. ‘En de bacteriën’, zei mijn dochter. ‘De bijbel heeft het niet over bacteriën’, zei ik. ‘Maar in die eerste zes dagen heeft God ongetwijfeld ook de bacteriën geschapen.’
‘Waarom staat dat niet in de Bijbel dan?’, vroeg mijn dochter. God kennende zou het natuurlijk heel goed kunnen dat Hij Zijn vrije dag heeft gebruikt om in het geniep allerlei onzichtbare ellende te schapen. Om daar vervolgens niets over te vertellen aan al die mensen (van Abraham tot Mohammed) waarmee hij zogenaamd een direct lijntje had.
Maar dat vertelde ik niet. Ik vertelde wel dat de schrijvers van de Bijbel niet wisten dat er zoiets als bacteriën bestonden.
‘Waarom niet’, vroeg mijn dochter.
‘Omdat ze pas sinds een jaar of honderdvijftig weten dat er bacteriën bestaan’, zei ik. ‘Zo kort nog maar?’, zei mijn dochter. ‘Zo kort nog maar’, zei ik. Dat vond mijn dochter vreemd. Vervolgens vond ze het vreemd dat honderdvijftig jaar ineens kortgeleden lijkt, terwijl honderdvijftig jaar meestal juist heel lang geleden lijkt. Waarna we kwamen te spreken over de relativiteitstheorie en de grote verschillen tussen de plooiingen in de rimpeling der tijd. En zo stonden we, voordat we er erg in hadden, op het parkeerterrein van Ouwehands Dierenpark.
Het parkeerterrein stond vol. Het was 12 uur ’s middags, we hadden op het nippertje het laatste tijdslot kunnen kiezen. Er stond een bescheiden rij voor de ingang, binnen vijf minuten waren we binnen. Het was eenrichtingsverkeer. Een enkele verzorger liep tegen het verkeer in. Rechts de giraffen en zebra’s, links de leeuwen. Door naar de gibbons. Daarna naar de reuzenpanda’s. De rij was flink. Niet zo gek, want er was onlangs een babypanda bijgekomen. De babypanda bleek echter te schitteren door afwezigheid. We zagen één volwassen panda voor pampus liggen. Achterpoten naar achteren, voorpoten naar voren, gezicht naar beneden. alsof hij een haardkleedje aan het imiteren was. Ik vroeg waar de babypanda was. ‘Die is beneden met z’n moeder’, zei een verzorger. Mocht niemand bijkomen. Over een maandje of zo zou de babypanda naar buiten komen. ‘Kijk’, zei ik tegen mijn dochter, ‘in dit geval is een maand dus al heel erg lang. Daar gaan we niet op wachten.’
We liepen verder. Aten poffertjes. Liepen langs wat slapende beren. De lanterfantende olifanten. De zwijgende lepelbekooievaars. Loom zwemmende ijsberen. Dralende pinguïns, de lievelingsdieren van mijn dochter. Op het eiland van de pinguïns hadden ze een plexiglazen koepeltje gemaakt. Je kon onder het aquarium door lopen en dan je hoofd in het koepeltje steken, zodat het net was alsof je tussen de pinguïns stond. ‘Dat gaan wij dus echt niet doen’, zei een vrouw voor me, ‘met al die corona. Iedereen zit daar maar tegen aan te ademen en met z’n zwetende handen naar die pinguïns te zwaaien.’ Ik gaf de vrouw groot gelijk, ook wij lieten het koepeltje met rust.
De gorilla’s waren aan het slapen, een orang-oetang zat mistroostig naar buiten te kijken en de prairiehonden staarden zwijgend voor zich uit. Het was redelijk druk, maar de mensen waren geduldig. Nergens was het dringen, iedereen gaf elkaar de ruimte. Ik ben één keer per ongeluk tegen iemand aangebotst, toen iemand mij op de berenbrug wilde inhalen en ik zonder achterom te kijken naar links uitweek. Schouder tegen schouder. Ingetogen excuses, geen woede, geen paniek, slechts beleefde berusting.
Toen ik weer thuis was, realiseerde ik mij dat ik niemand had horen kuchen. Geen kind, geen bejaarde, niemand. Misschien, dacht ik, hebben we door massaal in quarantaine te gaan niet alleen het coronavirus, maar elk griepje dat er in Nederland rondwaarde weten te onderdrukken. Al die contactvirussen, ze zullen wel in paniek zijn nu. Dit is ze nog nooit overkomen.

2 responses

  1. 150?? 350! En door een Nederlander ontdekt, ook nog eens! Geef dat kind Van Nul tot Nu, nog steeds mijn meest gebruikte geschiedenisboek. En misschien bedoelde God die bacterieen wel als een soort kindersurprise ofzo. Dat je net als mensheid beschaafd begint te worden, elkaar niet meer persé zonder reden de hersenen in wilt slaan, en dat God je dan laat zien van, kijk, hier, die heb ik ook voor jullie: bedmijten, en ander klein griezelspul wat en masse over je heen krioelt. Dat je maar mag stikken in je appel van kennis, MENS.

  2. Hm, ik dacht aan Louis Pasteur toen ik het hier met mijn dochter over had. Maar meneer van Leeuwenhoek had ze natuurlijk al geobserveerd, meneer Pasteur begreep als eerste dat de bacteriën niet het gevolg, maar de oorzaak van ziekte en rotting zijn. Sorry Antonie!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *