Het draaiorgel

Zaterdagmiddag stond er aan het eind van de straat ineens een draaiorgel te spelen. Het was koud en winderig, maar de zon scheen. Op de plek waar het draaiorgel stond hadden wij ’s ochtends met een paar buren koffie in het zonnetje gedronken. De stoelen op anderhalve meter afstand. We waren de hele week zo veel mogelijk binnen gebleven en hadden contact gemeden. We spraken over thuisscholing, over beklemming, over de zelfdestructieve neiging alles te willen lezen, over de zorgen over oude ouders, over de zorgeloosheid van onze kinderen, dat soort dingen.

Na de koffie ging ik met mijn dochter tennissen op de open tennisbanen van Hogeschool Windesheim. Op de parkeerplaats kreeg iemand motorrijles. Vlak naast het spoor werd een jonge vrouw getraind in kogelstoten. Ik zag een affiche van Spinvis, die 11 maart had moeten optreden in Zwolle. ‘Blijf gezond en kom terug’ stond erop.

’s Middags wandelde ik naar de toko om rode pepers, limoenblaadjes en gemberwortel te halen. Op de deur hadden ze een briefje geplakt. Dat er niet meer dan twee personen tegelijk naar binnen mochten. Ik was de enige klant. Niet lang na mij kwam een tweede. Hij nam alle verse laos mee die er in de bakken lag. De import was gestopt, vertelde de eigenaresse mij even later. Een vrouw deed de deur open. Ze vroeg wat er nu precies van haar verwacht werd. Moest ze buiten wachten? Van de eigenaresse mocht ze binnenkomen. De laoshamsteraar vond het ook prima. ‘We gaan allemaal een keer dood’, zei hij. Zijn moeder was vierennegentig. Woonde nog op zichzelf. Maakte zich nergens druk om. Van mij mocht de vrouw ook binnenkomen. We hielden afstand. ‘Blijf gezond’, zei de eigenaresse toen ik vertrok. ‘En kom terug’, dacht ik er achteraan.

Tijdens het wandelen luister ik naar een podcast over het periodiek systeem. Koolstof was aan de beurt. In de jaren ’40 begonnen de Amerikanen atoombommen tot ontploffing te brengen. Eerst in New Mexico. Later op Hiroshima. Daarna begonnen er meer landen in de wereld kernproeven te doen. Dat zorgde voor de nodige radioactiviteit in onze atmosfeer. Een van de stofjes die ineens in veel grotere mate aanwezig was, was de isotoop koolstof-14. Dat zit overal. Niet alleen in de lucht, ook in ons lichaam. En in al onze cellen. Doordat ze sinds eind jaren ’40 dagelijks bijhouden hoeveel koolstof-14 er in de atmosfeer zit, kun je dat vergelijken met het C14-gehalte in je cellen. Leg dat naast elkaar en je kunt precies zien hoe oud je alvleesklier is. En hoe oud je milt. En je prefrontale cortex. En dat je huid zich elke twee weken ververst. En dat vetcellen zo’n twaalf jaar meegaan. De cellen van een zeker deel in je hersens worden het oudst. Maar ook weer niet zo oud dat ze alle herinneringen die ze zich herinneren hebben meegemaakt.

Op de terugweg loop ik door het park. Bij de skatebaan stikt het van de skatende jongeren. Schieten nonchalant langs elkaar. Delen joints. Eten uit dezelfde chipszak. De onkwetsbaren. Samen chillen op de rand van de vulkaan. Ergens denk ik dat dit precies de bedoeling is. De kwetsbare sluiten zich op, de onkwetsbaren worden immuun.

In de Jumbo koop ik kip, sjalotten en dropjes en merk ik weer hoeveel moeite je moet doen om die anderhalve meter afstand te bewaren. De ander ontwijken gaat niet vanzelf. De meesten doen geen enkele moeite. Sommige wel. Daar heb je dan ook meteen een bepaalde verstandhouding mee. Althans, dat idee heb ik. Maar misschien zijn het gewoon beleefdheidsknikjes die we uitwisselen, helemaal geen herkenningsknikjes.

Ik wrijf de kip in met tamarinde. Doe pepers, gemberwortel, knoflook, sjalotten, geelwortel, komijn en laos in een kommetje en staafmix het tot een papje. Tien minuutjes fruiten. Daarna 450 ml kokosmelk bij. Vervolgens de kip, gekneusd citroengras, limoenblaadjes en laurier. De podcast gaat inmiddels over het kleurloze edelgas xenon. Ik ben niet meer heel erg goed aan het luisteren, maar als ik het goed begrijp bevindt zich in een oude goudmijn in South Dakota de stilste plek van het universum. Stil als in: geen interactie tussen verschillende deeltjes. De plek is zo stil dat je er donkere materie zou moeten kunnen waarnemen. Donkere materie is overal, maar heeft zo goed als geen interactie met andere deeltjes. En daardoor is het onmeetbaar. Maar hier, op de bodem van die oude goudmijn, misschien wel. ‘Als we iets opvangen’, zegt een van de wetenschappers, ‘is het alsof het universum ons iets toe wil fluisteren.’ Het is nog niet gelukt. Er is nog geen apparaat gevoelig genoeg om het gefluister van het universum op te vangen.

Buiten jubelt het draaiorgel. Toen ik klein was vond ik het fantastisch, nu verschrikkelijk. Vooral al die glissando’s waarmee de leegtes tussen verschillende noten zo nodig moeten worden opgevuld, stuiten mij, als liefhebber van een meer minimalistische aanpak, tegen de borst. Ik verstop me achter mijn telefoon als ze met draaiorgel en rinkelende centenbakjes langs ons huis lopen. Even later klopt mijn dochter op ons raam. Ze straalt. Ik ga naar de deur. ‘Kijk’, zegt ze. Ze wijst op het draaiorgel. Alsof ik het had kunnen missen. Ik vraag of ze wat geld wil geven. Dat wil ze wel. Ik kijk in mijn portemonnee. Vijf euro. Ik geef haar de vijf euro. Aan de overkant is woensdagavond een meisje geboren. Een briefje voor de deur vertelt dat pakketjes op de grond mogen worden neergezet. Mijn dochter rent naar het draaiorgel, doet het geld in het muntenbakje en begint te dansen. Andere kinderen dansen ook. De man van het draaiorgel glimlacht van oor tot oor. Ik ken het nummer, maar kan het niet thuisbrengen. Het is een vrij recent nummer volgens mij. Met een wat weemoedige ondertoon. Wanneer ik als kind in de winkelstraten van Gorinchem of Den Bosch een draaiorgel zag, bleef ik altijd stokstijf kijken naar het wonder dat zich voor mijn ogen voltrok. Geen cel meer in mijn lichaam dat die momenten heeft meegemaakt. Maar de herinnering zit er nog wel. Ergens diep weggestopt in een of andere cortex. De cellen die het zich herinneren geven het door aan andere cellen, verspreiden zich razendsnel door mijn lichaam en voordat ik het goed en wel door heb, zitten ze in mijn keel, persen ze zich naar boven en schieten de tranen me weer eens in de ogen. Er is geen lang met mij te bezeilen dezer dagen.

16 responses

    • Van blijdschap. Ik haat paarden, en die lijdensweg zien achter die oogkleppen is visuele boter op de gloeiend hete tong van mijn kwijlende ziel.

  1. Vijf euro. Ik geef haar de vijf euro.
    Vijf euro? Volgende week staat dat draaiorgel er weer, want daar woont die Draaiorgelvriend.

    • Ja, ik weet het. Ik roep zo dingen over mezelf af. Maar ik had niet kleiner. En ik wilde toch wat geven. Zo makkelijk is het niet om een draaiorgeldraaier te zijn these days. En ik weet hoeveel die mensen van hun draaiorgelmuziek houden. Die vinden dat fantastisch en kunnen zich niet voorstellen dat er mensen zijn die er een hekel aan hebben, zoals ik.

      Voor Panzerfaust heb ik wel eens een stuk geschreven dat ‘Waarom ik draaiorgels haat’ heette. Nou, daar kreeg ik me toch hartverscheurende reacties op. Veel emotioneler en ontroerender ook dan op mijn stukje ‘Waarom ik ligfietsers haat’, de reacties daarop waren ronduit agressief.

  2. Ik geef in steden als ‘s-Hertogenbosch, Eindhoven e.a. veel liever geld aan orgeldraaiers dan aan opdringerige bedelaars!

  3. Mooi stuk. Ik associeer draaiorgels van oudsher met gezelligheid. En het stuk met afwezigheid van gezelligheid omdat de mensen tegenwoordig 1, 5 meter afstand moeten houden. Daarom lukt het allemaal nog niet zo waarschijnlijk. Gemis en nostalgie. Tot stof zullen wij allen wederkeren

  4. Een voordeel van de thuiswerken met deze crisis is trouwens, dat je wat tijd hebt om te nachtbraken:

    [quote]Nederland werkt hard. Harder dan een kwart eeuw geleden, signaleren alle deskundigen. De werkdruk groeit. Weken van zestig uur zijn niet zeldzaam…. [/quote]

    Henk Strabbing 4 september 1999, 0:00

    [quote] Genesis 3:19 meent: ‘Omdat gij naar uw vrouw hebt geluisterd en van de boom gegeten, waarvan Ik u geboden had: Gij zult daarvan niet eten, is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft, en doornen en distelen zal hij u voortbrengen, en gij zult het gewas des velds eten; in het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.’

    Deze tekst heeft het in zich. Gelovige christenen worden ertoe aangespoord hard te werken (en per se níet naar hun vrouw te luisteren). Zij die de christelijke leer links laten liggen, beweren: waarom doe ik het allemaal? Wij zullen immers allen tot stof wederkeren. Dus leve de lol.

    Hier is sprake van conflicterende opvattingen over arbeid.

    Adam en Eva hadden hun eerste, nee: álle levensbehoeften voor het oprapen in het paradijs, maar toen ze er eenmaal uit verdreven waren, was het werken geblazen. Wat Adam zelf voor de kost deed, vermeldt de Bijbel, maar zijn beide zoons werden akkerbouwer, respectievelijk schaapherder. Hoe deze twee beroepsgroepen zich indertijd tot elkaar verhielden, wordt dramatisch duidelijk in Genesis 4:8: ‘Toen zij nu in het veld waren, stond Kaïn tegen zijn broeder Abel op en doodde hem.’

    Vrij zeker was dat ‘s werelds eerste arbeidsconflict – Kaïn was jaloers op Abels succes bij werkgever God – en met consequent voorbijgaan aan cao-onderhandelingen, prikacties of stakingen, koos men meteen een radicale oplossing: halvering van het personeelsbestand.

    Maar de werkgever zag dat het zo niet goed was en bepaalde: ‘Wanneer gij de aardbodem bewerken zult, zal hij u zijn volle opbrengst niet meer geven; een zwerver en een vluchteling zult gij op de aarde zijn.’ (Genesis 4:12) Intussen krijgen we nergens uit het Oude Testament de indruk dat de aartsvaders zulke noeste werkers waren als God hen in Genesis had aangezegd. Ze lieten geiten, ezels en kamelen het werk doen, zaten zelf met een kroes wijn voor de tent en bestegen een dienstmaagd wanneer de reguliere echtgenotes conceptieproblemen vertoonden.

    Hoe christelijk is dus het arbeidsethos dat hard werken voor je brood vereist? Het is erin geramd door Calvijn en in de Industriële Revolutie eendrachtig uitgewerkt door een kongsie van fabrikanten en dominees. Zij vinden Paulus aan hun zijde, die aan de Thessalonicenzen schreef: ‘Wil iemand niet werken, dan zal hij ook niet eten.’

    Maar Matteüs gaan ze besmuikt uit de weg, hoewel deze evangelist uit de mond van Jezus zelf optekende: ‘Weest niet bezorgd over uw leven, wat gij zult eten, of over uw lichaam, waarmede gij het zult kleden. Is het leven niet meer dan het voedsel en het lichaam meer dan de kleding? Ziet naar de vogelen des hemels: zij zaaien niet en maaien niet en brengen niet bijeen in schuren, en toch voedt uw hemelse Vader die; gaat gij ze niet verre te boven? Wie van u kan door bezorgd te zijn één el aan zijn lengte toevoegen.’ Zo gaat dat nog vele verzen verder. Het is een laat-maar-waaien-theorie van grote volledigheid en uit hoogst onverwachte hoek. In elk geval heeft het meer literaire waarde dan het botte decreet van Paulus, dat zo op een verbodsbordje zou kunnen.

    Om dus rücksichtslos uit de Bijbel af te leiden dat hard werken tot de oerchristelijke waarden behoort, is onjuist. Maar er zijn nu eenmaal hele horden die de Bijbel selectief lezen en zo de wereld op hun manier laten draaien. De Bijbel geeft daartoe volop gelegenheid. Geen boek vertoont meer tegenstrijdigheden.

    Waarom spreken we niet gewoon af dat werken niets met christendom te maken heeft? [/quote]

    https://www.volkskrant.nl/mensen/christelijk-werk~b24f138f/?referer=https%3A%2F%2Fwww.google.com%2F

    • Toch kan het ook anders als iemand denkt dat hij niets iets later toch nog iets kan worden! In de Bijbel stonden zelfs verhalen over Richters die het volk van Israël steeds moesten verlossen van heidense volkeren die zij ooit hadden verjaagd of gedood! Dat helaas veel joden constant terugvielen op hun oude fouten en dat die bereid waren om andere joden, die daar verzet tegen boden, te verdrijven of te doden bewijst dit Bijbelse verhaal:

      Gideon, de dappere held (Richteren)

      Deze keer nemen we u graag mee naar het boek Richteren. Dit boek heeft twee kanten: een donkere en een lichte kant, gelijk naar de huidige maatschappij. De donkere kant is dat het boek vertelt over hoe het volk Israël God keer op keer de rug toekeerde en door eigen schuld in grote problemen kwam. De lichte kant is dat God telkens weer uitkomst gaf, wanneer de Israëlieten in de nood tot Hem riepen.

      Zo is God. ‘Indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw, want Zichzelf verloochenen kan Hij niet’ (2 Timoteüs 2:13). Hoe gaf God toen precies uitkomst? Door de Richters. De nieuwe Bijbelvertaling spreekt van rechters. Dat is ook wel een mooie benaming. Het woord rechters heeft namelijk alles te maken met wat wij noemen ‘rechtzetten’.
      En dat hebben die rechters precies zo gedaan. Er moest nogal eens heel wat rechtgezet worden in Israël. Zeker ook in het dienen van God. Rechter zijn was niet altijd een functie voor het hele leven. Wel zijn er een paar rechters geweest die behoorlijk lang hun taak hebben vervuld. Dan denk ik bijvoorbeeld aan Gideon en Simson.

      Vanavond gaan we het hebben over Gideon die ooit werd uitgekozen om de Midjamieten, een roofzuchtig woestijnvolk, te bestrijden. Hij heeft bij ons een vrij goede naam. God noemt Gideon bij zijn roeping dan ook ‘dappere krijgsman’.
      Het is heel leerzaam om te lezen hoe Gideon een dappere krijgsman is geworden. Eerst een soort van situatieschets. Het gaat over de tijd na de verovering van het land Kanaän, dus na de dood van Jozua tot aan de tijd, waarin Israël een koninkrijk werd. Die periode bestrijkt toch wel zo’n kleine driehonderd jaar.
      Aan het optreden van Gideon gaat een periode van veertig jaar rust vooraf. Dankzij het heldhaftige optreden van de twee Richters, Debora en Barak, die de wrede koning Jabin van de Kanaänieten en zijn generaal Sisera versloegen. Maar toen ging het opnieuw mis. Het ontbrak Israël wederom aan een krachtige leider.
      Het volk koos ervoor om opnieuw eigen wegen in te slaan, iets wat vaak voortkomt in een normloze maatschappij, zonder leiders. De mensen vroegen steeds minder naar Gods wil en dat is iets wat tegenwoordig nog veel erger lijkt!
      Ze dienden opnieuw andere goden die wel uitgerust werden met ogen, oren, mond, neus en handen maar totaal NIETS zagen, hoorden, spraken, ruikten of voelden!

      Situatieschets

      Dan is het niet verwonderlijk dat God het volk aan zijn lot overlaat. God gaf Israël in handen van Midjam (de Midjamieten). Dit woestijnvolk stroopte samen met Amalek (de Amalekieten) en oostelijke stammen het hele grondgebied van Israël af op zoek naar voedsel, dieren en buit. Als menselijke sprinkhanen roofden en verwoesten zij het platteland van Israël en doodden iedereen die zij op hun pad tegenkwamen! En zij waren hiermee de voorlopers van de Duitsers die in 1941 West-Rusland op een veel grotere schaal zouden leegplunderen en miljoenen Russen zouden doden!
      Het land stortte opnieuw in een enorme crisis. Nood leert bidden, ook toen, en God hoorde opnieuw. Dat is vaak toch wel een opmerkelijk aspect in dit boek. God reageert zo anders dan wij mensen. Want wat gebeurde er?
      Eerst stuurde de HERE een profeet, die aangaf waarom het volk in zo’n noodsituatie verkeerde. Het volk had immers weer niet geluisterd naar de stem van de God. Toen riep God uiteindelijk Gideon om Richter te zijn.

      Wie was Gideon eigenlijk? Gideon was de zoon van Joas uit de stam Manasse. Zijn daden staan beschreven in hoofdstuk 6 tot en met 8. Zijn vader had ook een altaar, gewijd aan Baäl. Dat zegt veel over de godsdienstige situatie in die tijd. ‘De HERE zij met u, dappere held.’
      Met die woorden begroette de Engel van de HEER Gideon die bezig was om tarwe te dorsten. Mooie woorden waren dat: strijdbare held!
      Zelf vond Gideon zich helemaal niet zo strijdbaar, maar zo zag de HERE hem wel. Toch is Gideon een strijdbare held geworden. Maar langs een heel bijzondere weg.

      Gideons roeping

      In Richteren 6 staat de roeping van Gideon beschreven. Als je dit hoofdstuk leest, krijg je niet het beeld van een onverschrokken held. Gideon is namelijk tarwe aan het uitkloppen in de wijnpers. Hij doet dat op een vrij ongewone manier en op een vreemde plek. Hij probeert nog wat van de oogst te redden uit de handen van de Midjamieten, die al zeven jaar lang alles wegroven en vernielen.
      Hij, een held? Gideon voelt zich niet opgewassen tegen de dreiging om zich heen. Het zijn donkere tijden. God lijkt Zijn volk vergeten te zijn. Als Gideon God antwoordt, voel je het protest. ‘Maar mag ik u iets vragen? Als de Heer ons helpt, waarom gebeuren al deze vreselijke dingen dan? Onze voorouders hebben ons verteld dat de Heer steeds wonderen doet, en dat hij ons uit Egypte bevrijd heeft. Maar nu heeft hij ons in de steek gelaten, en worden wij onderdrukt door de Midjanieten. Waarom doet hij nu geen wonder?’ (Richteren 6:13).
      De engel trekt zich echter totaal niets aan van het bezwaar van Gideon. Want Gideon krijgt van de engel namelijk de opdracht om moed te tonen en zijn volk te gaan bevrijden (Richteren 6:14). Maar Gideon protesteert: ‘Hoe moet ik Israël nou redden? Ik kom uit de onbelangrijkste familie van de stam Manasse, en ik ben ook nog de jongste!’ (Richteren 6:15). Maar ook de engel van de HERE houdt vol en trekt zijn opdracht niet in. ‘Dat kunt gij omdat Ik u namelijk bijsta.’ (Richteren 6:16).

      Nog geeft Gideon niet toe. Hij wil eerst nog meer zekerheid daar hij niet weet dat hij met een engel te doen heeft en Gideon zegt: ‘Geef mij een teken.’ En dan biedt Gideon de engel ook nog een maaltijd aan. Tijdens of na de maaltijd kan er misschien met de engel wel doorgepraat worden. Wie weet kan hij de engel op andere gedachten brengen.
      Maar als Gideon met de maaltijd terugkomt, moet hij die op een rots leggen. Als zijn gast het eten aanraakt, stijgt een groot vuur op uit de rots en verteert dit vuur de gaven als een groot offer. Gideon schrikt dan enorm.

      Gideon is bang

      Het lijkt erop dat hij nu pas doorheeft dat hij niet met zomaar een engel gesproken heeft. Dit is de Engel van de HERE. Gideon wordt bang. Wat is God nu dichtbij! Hij schreeuwt het uit: ‘Ach, Heere, HEERE! Daarom, omdat ik een Engel van de HEERE heb gezien, van aangezicht tot aangezicht, zal ik sterven! HERE, wie zal voor U bestaan?’ (Richteren 6:22).
      Dan spreekt God tot Gideon. God wil niet namelijk dat Gideon bang voor Hem is: ‘Vrede zij met u, vrees niet want gij zult niet sterven.’ Even terzijde: De uitspraak ‘vrees niet’ komt heel wat keren in de Bijbel voor. ‘Vrees niet!’ Het is altijd weer een wonder als je beseft hoe groot God is. ‘Vrees niet’ is een mini-samenvatting van het hele evangelie.
      Blijkbaar is Gideon nu eindelijk overtuigd. En dan krijgt Gideon zijn eerste opdracht. Hij moet het altaar van de afgod Baäl, het altaar van zijn vader dus, omverhalen. Daarna moet hij een altaar voor God bouwen en daar een stier van zijn vader op offeren. ’s Nachts in het donker voert Gideon de opdracht uit. Hij is echter nog steeds bang. Bang voor zijn familie, bang voor zijn omgeving (Richteren 6:27).
      Als hij de volgende dag ontmaskerd wordt en de razende aanhangers van Baäl hierna Gideon willen gaan lynchen, vlucht hij weg. Zijn vader Joas redt niettemin zijn zoon van de woedende menigte door hen te zeggen: “U wilt het voor Baäl opnemen omdat zijn altaar door mijn zoon is verwoest? U wilt hem te hulp komen? Wie het voor Baäl opneemt, zal nog voor de ochtend sterven! Als Baäl namelijk een machtige god is dan zal hij wel voor zichzelf opkomen wanneer iemand zijn altaar heeft gesloopt.”
      Deed Gideons vader dit bewust of onbewust? Het kan ook zijn dat Joas dit juist deed daar hij al een aantal zonen had verloren door toedoen van de Midjamieten en hij toen alleen Gideon had overgehouden ofschoon deze zelf ook al vader was.
      Waarschijnlijk niet lange tijd daarna krijgt Gideon een grotere taak van de HERE. De Midjamieten rukken wederom op. God geeft Gideon de opdracht om nu rechter te zijn. En deze keer protesteert Gideon niet.

      Onbegrijpelijke God

      Gideon slaat alarm, blaast op de ramshoorn en hij zendt boden het land door om de mensen op te roepen zich bij hem aan te sluiten. Waar haalt hij dat lef vandaan? Het geheim staat in Richteren 6:34. Daar lezen we dat de Geest van de HEER over Gideon kwam.
      Opnieuw vraagt hij een teken van God of hij wel op de goede weg zit in de vorm van een wollen deken die de volgende dag nat wordt met een droge grond eromheen en later een droge wollen deken met een natte grond eromheen.
      Gideon was inderdaad van nature geen held. Maar God máákte Gideon tot een held. Maar liefst 32.000 mensen geven gehoor aan de oproep van Gideon. Je zou zeggen: wat een zegeningen! Gideon staat er niet alleen voor.
      Maar dan laat God weten dat zijn leger veel te groot is daar Hij niet de indruk wil wekken dat dit leger de Midjamieten op eigen kracht kan verslaan. Iedereen die bang is, mag van mij vertrekken. Er vertrekken uiteindelijk zeker 22.000 personen dus een enorme aderlating!
      Het wordt nog onbegrijpelijker, wanneer God opnieuw aan Gideon laat weten dat ook dit leger van 10.000 man nog veel te groot is. Iedereen moet dan naar de waterkant om water te drinken. Alleen degenen die water drinken met de hand aan de mond en voorzichtig rondkijken om potentiële vijanden te bespeuren mogen blijven. Uiteindelijk houdt Gideon een klein minilegertje van 300 man over. Dit was een onmogelijke taak.
      Maar in die nacht sprak God: ‘Gideon sta op! Val het kamp van de Midjanieten aan. Ik zorg ervoor dat gij hen verslaat.’
      Gideon nam niettemin op een donkere nacht samen met zijn wapendrager ongemerkt poolshoogte in het kamp van de Midjamieten en hij hoorde één van hen zeggen tegen een andere in een tent dat hij in een filosofische droom zag dat een ronde gerstekoek het kamp inrolde endaar een tent omver wierp!
      De ander antwoordde daarop: “Dat is het teken dat God ons namelijk via Gideon aan Hem heeft overgeleverd want Gideon stelde namelijk die koek voor!”

      Bemoediging

      U kent vast de rest van het verhaal. Het is wereldberoemd. In drie groepen van honderd man bliezen de mannen van Gideon op hun ramshorens. Ze maakten een enorm kabaal met kruiken, die ze stuksloegen. Zwaaiden met hun fakkels en riepen: ‘Voor de HERE en voor Gideon.’
      Enorme paniek en verwarring ontstond zo bij de Midjamieten daar zij meenden dat een groot leger hem omsingelde! Ze vielen daarop elkaar in het aan omdat ze in iedereen een vijand zagen . Het leger sloeg halsoverkop op de vlucht waarna Gideon de achtervolging inzette.
      Een aantal legeraanvoerders van de Midjamieten werden toen door zijn volgelingen gedood en Gideon wilde daarop twee koningen van Midjam, Zebach en Salmunna, in handen krijgen omdat zij namelijk de broers van Gideon hadden vermoord!
      Toen Gideon echter aan de inwoners van twee steden die hij passeerde op jacht naar zijn vijanden, Sukkot en Penuel, vroeg of zij zijn leger te eten wilden geven omdat ze uitgeput raakten kreeg hij van het stadsbestuur van beide steden alleen maar hoon en spot over zich heen! Gideon had tenslotte de beide koningen nog niet in handen gekregen!
      En toen zwoer Gideon (die ontzettend kwaad was geworden) tegen het bestuur van Sukkot: “Als Zebach en Salmunna in mijn handen vallen dan zal ik jullie laten afranselen met distels en doornstruiken uit de woestijn!”
      En tegen de inwoners van Penuel zwoer Gideon: “Als Zebach en Salmunna in mijn handen vallen dan zal ik jullie toren verwoesten en jullie complete mannelijke bevolking hierna wegvagen!”
      En alzo geschiedde: Gideon nam de beide koningen gevangen en hij bracht ten uitvoer over de beide rebbelende steden wat hij had gezworen!
      Daarna vroeg hij aan Zebach en Salmunna: “Hoe zagen de mannen eruit die u bij Tabor hebt vermoord?”
      Zij antwoordden: “Zij leken sprekend op u en ieder had het uiterlijk van een prins!”
      Gideon zei daarop: “Dat waren dus mijn broers, de zonen van mijn moeder, en zowaar de Here leeft zou ik u laten leven als gij hen niet had gedood!”
      Hij gaf daarop zijn oudste zoon Jeter het bevel om de twee koningen te doden maar die durfde dat niet omdat hij nog maar een jongen was.
      Zebach en Salmunna gaven daarop het antwoord: “Waarom doodt u ons gewoon zelf niet? U bezit daar tenslotte voldoende kracht voor!”
      En Gideon doodde daarop inderdaad de beide koningen, de moordenaars van zijn broers, en hij nam alle schatten mee die op de Midjamieten waren buitgemaakt.

      Wat een overwinning! Gideon was van nature geen held. Maar God maakte van Gideon een held. Natuurlijk heeft Gideon zijn steentje hieraan bijgedragen en wees hij later het aanbod van de joden af die hem toen tot koning wilden uitroepen omdat hij niet met de eer van god wilde gaan strijken. Als Gideon rustig thuis was blijven zitten, was dit allemaal niet gebeurd.
      Maar toen Hij door God Zelf werd aangespoord, kwam hij onmiddellijk in actie. Niet op eigen kracht, maar in Gods kracht. ‘Dappere krijgsman.’ Dat maakte God van hem. Wat een bemoediging voor ons. Misschien roept God u ook wel tot een taak, waarvan u denkt dat het u nooit zal lukken.
      Met Gods hulp is het mogelijk om zelfs de sterkste vijanden te verslaan.

      Als wij in deze maatschappij kerels van het kaliber zoals Gideon hadden dan konden wij inderdaad een heel stel ongelovige linkse bestuurders en geloofsmisbruikende “gelovigen” verslaan die anderen gelovigen juist als ongelovigen zien!
      En zelfs deze eerste opgenoemde groeperingen zullen oftewel door anderen worden vernietigd of zichzelf gaan vernietigen, gelijk zoals het de Midjamieten verging en later ook Abimélech, de moordlustige en machtslustige (onwettige) zoon van de prostituee van Gideon!
      Deze had namelijk zichzelf uitverkozen als koning over Israël in Sichem en met hun hulp zijn 70 halfbroers omgebracht met wie hij de macht niet wou delen! Maar dat was ook zondig daar Richters juist door God worden uitgekozen en niet zomaar de macht mogen grijpen! Dat was ook de reden dat Gideon het koningschap afwees.
      Jotam, de jongste zoon van Gideon en de enigste overlevende halfbroer van Abimélech, sprak toen echter een vreselijke filosofische vloek uit over Sichem en Abimélech (in de vorm van bomen die een koning zochten en alle fruitbomen die zij tegenkwamen weigerden het koningschap op een doornstruik na) wat inhield dat zij ooit elkaar eens zouden gaan uitroeien omdat ze namelijk NOOIT elkaars bondgenoten konden zijn geweest, gelijk naar wat links en de islam hier met elkaar hebben!
      En dii vreselijke voorspelling kwam drie jaar later ook uit omdat Abimélech toen Sichem en El-Berit verwoestte en alle inwoners daarvan ombracht! Toen hij echter de stad Tebes wilde vernietigen gooide een vrouw uit een toren een zware molensteen op diens hoofd waarna de dodelijk gewonde Abimélech zijn wapendrager de opdracht gaf om hem dood te steken wat natuurlijk ook gebeurde!
      Het leven van deze verderfelijke en onwettige zoon van Gideon was hiermee nog veel sneller uitgedraaid dan op een draaiorgel!

    • @Rigo Reus, ik heb het grootste deel van dit bijbelse verhaal over Gideon afgekeken van allerlei artikelen op internet en er de nodige beschrijvingen bij gedaan. Professor Bob Smalhout (1927-2015) daarentegen was bijvoorbeeld zelf een groot kenner van de Bijbel ofschoon hij nooit een filosofische vergelijking schreef over Gideon maar wel over Simson, een uitverkoren Richter die alleen zo al werd voor hij geboren zou worden, iets wat zijn ouders eveneens te horen kregen van een engel.
      Simson was, ofschoon hij oersterk was door zijn lange haar en het feit dat hij van God geheelonthouder moest blijven, niettemin een zeer gevaarlijke bodybuilder die als een soort bijbelse Rambo enorme slachtingen onder de Filistijnen, de latere onderdrukkers van Israël, aanrichtte en hun land vernielde maar hij wel kikte op Filistijnse meisjes die hem later zouden gaan chanteren, bedriegen en verraden aan de Filistijnen!

Laat een reactie achter bij zeikwjf Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *