Berichten uit het ongerijmde

In Het Vijfde Element vertelt K. Michels dat hij in de keuken staat en op de radio de stem van Nescio hoort. De schrijver is oud en praat moeizaam. Hij leest een verhaal voor over herinneringen aan een treinreis in 1896. Bij ‘het koeren van een houtduif’ breekt de schrijver. Hij is even stil. En dan zegt hij tegen zichzelf: ‘Waarom stop ik nou?’ De dichter schrijft: ‘Een man, een houtduif, een trein en wat licht / Kwamen uit het ongerijmde in mijn keuken samen om een glimp te tonen van gene zijde / in een trage werveling van tijdstippen’

Ik sta in het Stedelijk Museum tussen duizenden zwarte motten van Carlos Morales. De zwarte motten zijn gemaakt van papier en hebben zich verspreid over vier aaneensluitende zaaltjes. Op de begeleidende tekst lees ik dat Morales de zwarte motten in een droom had gezien. Hij is ze gaan uitknippen en in zijn atelier gaan opprikken. Op een gegeven moment moest hij zijn atelier uit, zo vol was het. Het was toen: of de motten eruit, of Morales eruit.

De motten zijn daarna hun eigen weg gegaan. Uitgezwermd. Eerst naar een plaatselijke tentoonstelling. Toen naar een verzamelaar. Daarna naar tentoonstellingen over de hele wereld. En nu in het Stedelijk. De motten voegen zich naar de ruimte die er is. Het is overal anders. Ik moet denken aan een ander gedicht van K. Michels, over een zwart ei dat door de graslanden rolt en ‘dat zo niets is als nergens maar kan zijn / zo niets als het gegaap van het heelal / maar slaap kan worden’. In een andere zaal zie ik een litho van Marc Chagal: ‘de zwarte zon boven Parijs’. Een vrouwenhoofd dat me ondersteboven aankijkt in opperste verbazing. Haar lichaam golft, alsof ze al half is oplost in de Seine. Achter haar het silhouet van Parijs. Met één grote toren die naar de grote zwarte zon erboven wijst. Black Hole Sun van Soundgarden zeilt mijn geheugen binnen. Ik had de plaat gekocht omdat Soundgarden, net als Nirvana, uit Seattle kwam. Ik zei tegen iedereen dat het geweldig was, maar eigenlijk vond ik er niet zoveel aan. Op een paar nummers na misschien. Ik hield niet zo van de stem van Chris Cornell. Maar ja, het had me veertig gulden gekost.

Het is donker en het miezert als ik weer buiten ben. Ik zie een groep mensen langs een muur hardlopen. Ze lopen heen en weer terug. Naar de rest van de groep. Als ze terug zijn, is het de beurt aan anderen. Ik loop het Vondelpark in. Overal dansende lichtjes van mensen aan het bootcampen zijn. Een kronkelpaadje leidt me langs het water. Als ik de huizen zie aan weerszijden snap ik niet helemaal waar ik ben. Het voelt alsof ik een rondje heb gelopen, maar het is niet zo. Van alle kanten hoor ik stemmen die hardop aan het tellen zijn of aanmoedigingen schreeuwen. In de verte zie ik mensen tennissen. Dat moet het Melkhuisje zijn. Links van mij doen silhouetten stretchoefeningen op de wipkippen van het kinderspeeltuintje. Rechts lichtjes die aan de zwaaien te zien met vliegtuigbewegingen de tenen proberen te raken. Overal groepjes rennende mensen. Uitgezwermd over het park. Het is een plaag, zou J. een paar uur later zeggen.

Langs het Melkhuisje. Langs de vroegere Filmacademie op de Overtoom. Schuin oversteken naar de Jan-Pieter Heijerstraat. Hier rechts op de Tweede Helmerstraat woonde J. Toen hij een kleine zestien jaar geleden op deze plek zijn verjaardag vierde, ging ik sigaretten halen bij het café om de hoek. Het was een schitterende zomernamiddag. We hadden al aardig wat glazen jungle juice achter de kiezen. Het café zat vol met alcoholisten die een beetje voor zich uit zaten te staren. Sommige aan de bar, sommige aan een tafeltje, sommige bij de fruitautomaat. Terwijl ik wachtte op het wisselgeld voor sigaretten, stopte iemand een muntje in de jukebox. De piano van John Lennons Imagine vulde de ruimte. De zon scheen naar binnen en verwarmde mijn arm. En terwijl John Lennon zong over een wereld zonder religie, begonnen alle alcoholisten zachtjes mee te zingen. Ieder voor zich. En ik realiseerde me dat al deze mensen ooit dromen hadden gehad en misschien nog steeds dromen hadden. Het was het jaar dat ik mijn vrouw had ontmoet. Straks zou ze ook op het feest komen. We zouden wat drinken en dansen. Vijf jaar later zouden we ons eerste kind krijgen. Zeven jaar later ons tweede.

Het was zoals in het gedicht over Nescio, maar dan met John Lennon en een café vol alcoholisten. De zanger, het liedje, de dromen en wat licht kwamen uit het ongerijmde samen om een glimp te tonen van wat geweest was en wat komen zou, in een trage werveling van tijdstippen. Ik kon me niet herinneren ooit zo gelukkig te zijn geweest.

8 responses

  1. steek er een jointje bij op beste molovich, dan worden uw verhalen nog beter ( geen ironie) Ik mis nu een beetje de coherentie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *