Het geloof van mijn dochter

Mijn dochter vraagt of ik in elfjes geloof. Ze bedoelt engelen. Die haalt ze nogal eens door elkaar. We zijn op weg naar het ouderlijk huis van mijn moeder, sinds jaar en dag bewoond door haar broer en diens vrouw. Zij het niet voor lang meer. Woensdag komen de verhuizers. Het huis is in 1903 gebouwd door de opa van mijn opa. We rijden westwaarts, mijn dochter zit naast me.
‘Nee’, zeg ik, ‘ik geloof niet in engelen.’ In elfjes geloof ik trouwens ook niet.
Ze vraagt wat engelen met kerst te maken hadden. Gisteren de kerstboom opgetuigd, vandaar dit gesprek. Ik vertel haar over de geboorte van Jezus. Dat er een engel bij Maria op bezoek kwam om haar te vertellen dat ze een kindje van God kreeg.
‘Wie is God dan?’, vraagt mijn dochter.
‘Moeilijke vraag. Degene die de wereld gemaakt heeft. De vader van Jezus.’
‘Geloof jij dat?’
‘Nee’, zeg ik, ‘niet echt. Maar er zijn heel veel mensen die het wel geloven. En die geloven dan altijd ook dat Jezus na zijn dood weer is opgestaan.’
‘Maar dat kan toch niet?’
‘Daarom heet het ook geloven. Je kan het niet bewijzen, dus moet je erin geloven.’
‘Maar waarom geloven mensen het dan?’
‘Ik denk omdat het een goed verhaal is. Na de dood van Jezus kregen steeds meer mensen dat verhaal te horen. En daarna is het verhaal opgeschreven. Dat is de bijbel. En door daarin te geloven hopen mensen in de hemel te komen.’
‘Is dat net zoiets als dat land van de Gebroeders Leeuwenhart?’ Onlangs waren we naar een voorstelling over de Gebroeders Leeuwenhart geweest, een toneelstuk naar het boek van Astrid Lindgren. Dat verhaal gaat over een klein jongetje dat dodelijk ziek is. Om hem gerust te stellen vertelt zijn oudere broer verhalen over een land waar je naartoe gaat na je dood. Op een gegeven moment zijn de twee broers daadwerkelijk in dat land. En moeten ze het kwaad verslaan. Omdat mijn dochter de voorstelling te heftig vond, zijn we voortijdig naar buiten gegaan.
‘Zoiets ja’, zeg ik.
‘Maar bestaat dat land echt dan?’
‘Het was een fantasie. Maar een fantasie kan zo sterk zijn dat het echt wordt. Als je er maar in gelooft. Kijk, jij bent elke avond bang dat er een vogel in je kamer kan komen. Zelfs als alle ramen dicht zijn. Die vogel zal er nooit komen, toch ben jij er bang voor.’
‘Geloof jij dan niet dat er een vogel in mijn kamer kan komen?’
‘Nee, ik geloof niet dat er een vogel in jouw kamer kan komen. Zeker niet als de ramen dicht zijn’
‘Dan ben je dom.’
‘Ik geloof het gewoon niet. Dat is niet dom.’
‘Het is dom.’
‘Ik geloof alleen in dingen die kunnen. Dat is misschien saai, maar niet dom.’
‘Jawel, het is dom.’
Mijn dochter besluit dat het gesprek is afgelopen. Samen met haar knuffelkonijn begint ze een musical te maken over piraten die ninja’s willen worden en met een zwaan vechten. Ik kan het niet helemaal volgen, ik moet op de weg letten.

2 responses

  1. Ik weet echter dat kinderen, en zelfs bepaalde volwassenen, altijd wel geloofden in allerlei sprookjesfiguren, elfjes, feeën, kabouters, heksen, tovenaars etc. en jammer genoeg niet altijd met positieve resultaten gezien de vele heksenvervolgingen in de Middeleeuwen! In het verhaal van Peter Pan was het zelfs zo dat als kinderen niet in elfjes geloofden dezen hierna zouden sterven!
    Helaas zijn er nog teveel politici die in niet-bestaande afgoden geloven in de vorm van de EU dat meer overeenkomt als een beeld dat uit allerlei edelmetalen werd vervaardigd, op lemen poten stond en ooit door een onzichtbare hand, die een rotsblok voortduwt, wordt verpulvert!

  2. Elfjes of feeën zijn in sprookjes meestal goedbedoelende en hulpvaardige meisjes of vrouwen waarvan er enkelen soms ook erg jaloers en wraakzuchtig kunnen overkomen. In de Disney-tekenfilms waren sommige feeën of elfjes mooie en sekslustige jongedames en er zaten ook een paar oma-achtige personen onder hen die soms nogal verstrooid waren zodat hun toverkracht niet altijd naar behoren werkte.
    Assepoester (1950) had het juist aan haar Petemoei, een oma-achtige fee, te danken dat zij van een dienstmeisje kon veranderen in een echte prinses, waarbij de hond, het paard en de muizen van Assepoester ook tijdelijk werden betoverd en Assepoester hielpen, want anders zou zij in het leven ook niets hebben bereikt.
    Zo ken ik ook nog een verhaal, dat ik overigens in mijn bezit heb, waarin Anastasia en Drizella, de valse stiefzussen van Assepoester, ooit een ander meisje in dienst namen die voor hen moest gaan werken als een nieuw soort Assepoester! Zij heette Roos en ze leek wel enigszins op Assepoester maar was iets kleiner van stuk.
    Roos werd door Anastasia en Drizella gedwongen om zich net zo te vernederen als Assepoester wat inhield dat Roos op haar knieën de vloer moest schoonmaken en jurken moest gaan herstellen.
    Omdat ze dat niet aankon speelde Assepoester zelf een keertje voor een goede fee (overigens zonder toverkracht te gebruiken) door in het geheim de karweitjes van Roos op te knappen! En daar was deze haar later erg dankbaar voor!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *