De gruwel die converseren heet

Het begroetingsritueel van de Dogon gaat als volgt:

“Poi, poi. Ôh. Oedjamo? Ôh djamo! Oemanam djamo? Ôh djamo!  Oeba djamo? Oena djamo? Poi poi. Djamo. Oedélébé djamo? Djamo djamo poi poi. Oesoengono djamo? Djamo poi poi. Guiniwopoe djamo? Djamo! Poi poi …..”

Dat laat zich ongeveer zo vertalen:

“Goede dag, goede dag. U maakt het goed? Ja! Uw familie ook? Ja! Vader gezond? Moeder gezond? Ja. Grote broer gezond? Kleine broeders gezond? Hele familie gezond? etc.”

In Nederland gaat het precies zo. Bij ontmoetingen wordt er steevast gevraagd:
“En hoe gaat het met deze of gene? En hoe gaat het met de kinderen van deze of gene? En hoe gaat het met de oom van deze of gene? En hoe gaat het met de kinderen van de oom van deze of gene?”

Ik haat dat.

Want ik wil leuke conversaties.
Ik wil grappige dingen horen. Boeiende verhalen. Drama als het moet. Politiek, religie, ja al die supergevoelige onderwerpen waar je ruzie van krijgt. Werkelijk alles behalve vragen naar studie/gedrag/verkering van elk van de kinderen of de gezondheid van mijn oudtante.
Maar dat mag niet in Nederland. Die vragen ontwijken is tot daar aan toe, maar wee je gebeente als je de geijkte wedervragen verzuimt te stellen. Dan val je af als vriend.

Na jaren van recalcitrantie gaf ik mezelf gewonnen. Ik vraag tegenwoordig braaf naar de man, de hond, de carrière van de achternicht. Ik kijk gedwee naar smartfoons. Naar babyfoto’s. Naar vakantiekiekjes.

Ik wil dood.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *