Nazomergasten met Jeroen Krabbé

Zomaar een studio in Hilversum. Op de achtergrond een scherm met een ondergaande zon. Twee schimmen zitten aan tafel. Ze keuvelen met elkaar op gedempte toon. Ander camerastandpunt. Het bebaarde hoofd van Max Molovich toont ons een brede glimlach. Met één hand maant hij zijn gesprekspartner tot stilte. Zijn oogopslag verraad een melancholieke inborst. Wie zal er tegenover hem zitten?

MOLOVICH: “Een combinatie van Marcello Mastroianni, Dirk Bogarde, Calimero en James Mason”, schreef een vooraanstaande New Yorkse filmrecensente enthousiast nadat hij zijn entree in Hollywood had gemaakt. Naast acteur, is hij ook schilder, klokkenmaker, regisseur, windbuil en boot. Maar bovenal: levenskunstenaar. Jeroen Krabbé, welkom bij Nazomergasten.

KRABBÉ: Dank je, Max (Molovich, red.). Ik krijg het er helemaal warm van.

MOLOVICH: Dat zijn de studiolampen. Het went. Heb je er zin in?

KRABBÉ: Ontzettend. Elk jaar vraagt Peter (van Ingen, red.) of ik Zomergast wil worden, en elk jaar bedank ik voor de eer. Heel gek, ik voelde mij er nog niet klaar voor. Ik ben maar een eenvoudige acteur-schilder-regisseur. ik heb het gevoel dat ik nog maar aan het begin sta, en dan al bij Zomergasten gevraagd worden. Het streelde m’n ego natuurlijk, maar toch… het klopte niet. Maar ja, hoe gaat dat hè? Toen Peter dit jaar belde, had ik toevallig net Barbra (Streisand, red.) aan de lijn. Ik moest haar even in de wacht zetten, en toen vroeg Peter of ik zomergast wilde worden, waarna ik Peter weer in de wacht heb gezet, om tegen Barbra uit te leggen wie ik aan de lijn had en waarom, en toen zei Barbra tegen mij, Dzjeroon, zegt ze, zo spreekt ze mijn naam uit, Dzjeroon, waarom doe je het niet gewoon, waarom zeg je niet ja? Wat kan jou het schelen? Inderdaad, dacht ik toen: wat kan mij het schelen. Dus toen heb ik Barbra weer in de wacht gezet en tegen Peter ja gezegd. En hier zit ik nu. Overgeleverd aan de leeuwen. Hahaha.

MOLOVICH: Juist ja. Jeroen, je bent geboren op 5 december 1944. Wat ik mij afvroeg, is het als kind niet moeilijk om je verjaardag te moeten delen met Sinterklaas?

KRABBÉ: HAHAHA! Ontzettend leuk dat je dat vraagt. Maar om eerlijk te zijn, was dat helemaal niet moeilijk. Mijn moeder, de schat, had mij wijsgemaakt dat Sinterklaas speciaal voor mij vanuit Spanje naar Nederland kwam, en dat alle kindjes in Nederland cadeautjes kregen, om mijn verjaardag te vieren. Ik heb het daar nog een keer met Richard (Gere, red.) over gehad, tijdens de opnames voor No Mercy. Ik had een rijsttafel voor hem en Kim (Basinger, red.) gemaakt, en vertelde dus dat mijn moeder mij dit had wijsgemaakt, en Richard vond het zo onbeschrijfelijk mooi van mijn moeder, dat hij geen hap meer door z’n keel kreeg. Heb ik me daarvoor zo lopen uistloven, zei ik nog, hahaha! Jaren later had Richard naar La Vita è Bella gekeken en belde hij me huilend op. Dat het verhaal van Roberto (Benigni, red.) hem zo deed denken aan dat verhaal over mijn moeder. Hoe ze de waarheid verdraaide om mij te sparen, om mijn naïviteit te beschermen. Zo had ik het nooit bekeken, maar hij had gelijk natuurlijk.

MOLOVICH:
Over Richard Gere gesproken, laten we naar het eerste fragment gaan kijken.

KRABBÉ:
Spannend.

Jeroen Krabbé zet z’n leesbril op en draait geïnteresseerd naar het scherm.

Jeroen Krabbé heeft net naar het fragment gekeken waarin de Dalai Lama over geluk praat. Jeroen doet zijn bril af en wrijft even in zijn ogen.

KRABBÉ: Ongelooflijk indrukwekkend. Heel bijzonder.

MOLOVICH: De Dalai Lama over geluk. Je hebt ‘m wel eens ontmoet hè?

KRABBÉ: Meerdere malen. En elke ontmoeting is weer even speciaal. Het is zo’n ontzettend lieve man, zo… bescheiden, zo warm. Toen ik hem de eerste keer ontmoette, in 1993 was dat. Ik zat met Gary (Oldman, red.) in het vliegtuig. We zaten midden in opnames voor Immortal Beloved, en ik zat een beetje uit het raampje te staren, toen ik ineens op m’n linkerschouder werd getikt. Was het de Dalai (Lama, red.)! Mister Krabbé, zei hij, I admire your work so much. Bleek dat hij een ontzettend grote fan van The Fugitive was. Ik zei tegen hem: Mister Lama, this is too much honour. I’m just a humble painter-actor – ik was toen nog geen regisseur, moet je weten. Toen moest hij erg lachen. I always say, zei hij toen, I’m just a humble monk. En toen lachten we samen. Sindsdien zien we elkaar regelmatig, of bellen we even als een van ons het even niet ziet zitten.

MOLOVICH:
Dat kan niet iedereen zeggen, dat ie persoonlijke raad krijgt van zo’n spirituele grootheid.

KRABBÉ: Dat zegt de Dalai Lama ook altijd! Maar ik zeg dan: kom op Dalai, ik zeg ook maar wat er in dat gekke hoofd van mij opkomt. Het is niet dat ik er voor doorgeleerd heb.

MOLOVICH: Speaking of which: laten we even naar een fragment gaan kijken over iets waar je wel voor hebt doorgeleerd. Schilderen.

KRABBÉ: O ja, leuk!

Jeroen Krabbé zet z’n leesbril op en draait geïnteresseerd naar het scherm. Hij gooit z’n rechter- over zijn linkerbeen.

Jeroen Krabbé doet zijn bril af en glimlacht.

MOLOVICH: Picasso. Voel je je daarmee verwant?

KRABBÉ: Natuurlijk. Als artiest voel ik me aan elke andere artiest verwant. Of toch tenminste aan de artiesten die hun kunst serieus nemen en tegelijkertijd kunnen relativeren. Ik klieder maar wat aan hoor, zeg ik je eerlijk. Ik word vergeleken met Matisse en Klee en Mondriaan, maar ik doe maar wat, hahaha. Net zoals Pablo (Picasso, red.). Dat zie je in dit fragment ook hè. Als hij begint, weet hij echt nog niet hoeveel blaadjes hij die bloemetjes gaat geven. Dat wordt duidelijk tijdens het proces. Dat is organisch. Herken ik heel erg. Wat me wel opvalt, is dat hij totaal geen moeite doet. Aan zijn gezicht zie je dat hij niet echt diep hoeft te gaan. En dan denk ik toch: Pablo, heb je er wel alles uitgehaald wat er in zat? Had je niet dieper moeten gaan. Ik heb wel eens een filmpje gezien waarin ik zelf sta te schilderen. Ik trek dan de meest verwrongen grimassen, hele rare bekken. Zonder dat zelf door te hebben. Heel gek. Als in een soort trance. Maar ik haal dus wel het onderste uit de kan. Onbewust. Uiteindelijk zie je dat toch in het werk terug.

MOLOVICH: Ik heb mij laten vertellen dat je dankzij koningin Beatrix bent gaan schilderen.

KRABBÉ: Prinses Beatrix was het toen nog. Maar het klopt. Het was op de première van Soldaat van Oranje. Ik heb toen heel lang met haar gepraat. Hoogheid, zei ik toen, u bent beeldhouwer, en binnenkort gaat u koningin worden, twee hele zware beroepen, hoe gaat u dat combineren? Daar ga ik elke donderdag voor vrijmaken, zei ze, maar laten we elkaar tutoyeren. En toen dacht ik bij mezelf: als jij tegelijkertijd koningin en beeldhouwer kan zijn, waarom zou ikzelf dan geen acteur en schilder kunnen worden? En de volgende dag heb ik me direct bij de kunstacademie aangemeld. Die dachten dat ik ze voor de gek hield. Maar toen ze m’n werk zagen, wisten ze dat ik het serieus meende.

MOLOVICH: Aan die première van Soldaat van Oranje heb je ook een vriendschap met een ander lid van het koninklijk huis overgehouden. Laten we even naar hem gaan kijken.

Jeroen Krabbé zet z’n leesbril op, draait geïnteresseerd naar het scherm en plukt even aan een denkbeeldig baardje.

Jeroen Krabbé doet zijn bril af en veegt met de rug van zijn rechterhand een traan weg.

KRABBÉ: Sorry hoor, het wordt me even teveel.

MOLOVICH: Hij was als een vader voor je hè?

KRABBÉ: Zo zou je het kunnen zeggen. En ik was de zoon die hij niet had. Hij wist dat het voor mij niet uitmaakte dat hij een prins was, de vader van onze koningin. Ik was de enige in z’n buurt die ‘m nog wel eens tegensprak. Dat waardeerde hij enorm. Of zijn jachtpartijen bijvoorbeeld. Dat vond ik afschuwelijk. En dat zei ik dan ook gewoon. En dat deed Bernhard dan pijn, maar hij waardeerde het ontzettend. Hij vond het heerlijk om mij bij zich te hebben, om het over echte mannendingen te hebben. Van vader tot zoon. Zoals dat je altijd een kam in je binnenzak moet dragen. En dat het belangrijk is om je neusharen bij te houden. Of hoe je het beste op een paard kunt zitten. Daar konden we úren over kletsen onder het genot van een heerlijk kopje thee. De prins kon een uitmuntende Earl Grey zetten, kan ik je verklappen.

MOLOVICH: Kijk eens aan. Maar we moeten verder, want anders komen we in tijdnood. Laten we het over The Discovery of Heaven hebben, jouw tweede film als regisseur.

KRABBÉ: Een ongelooflijke prestatie.

MOLOVICH: Ik vond het een van de grootste gedrochten die ik ooit heb mogen zien.

KRABBÉ: Na afloop van de première kwam Stephen (Fry, die Onno speelt in de film, red.) naar me toe om me speciaal te bedanken voor deze kans. Hij wist dat hij aan iets heel bijzonders had deelgenomen. Voor mij was het draaien van de film gewoon het uitwerken van m’n draaiboek. Ik had elk beeld helemaal uitgetekend. 2065 tekeningen waren dat geworden. Ik wist dus precies hoe het eruit zou komen te zien. Wat dat betreft, heb ik dezelfde werkwijze als Alfred (Hitchcock, red.). Maar de acteurs hadden geen idee. Kun je nagaan hoe bijzonder dat moet zijn geweest om die film op het grote scherm te zien. De scène die we nu gaan zien, vind ik zelf een van de hoogtepunten uit de film. Steven vond dat ook. Zo’n scène hoop ik ook ooit nog eens te draaien, zei hij nadat hij ‘m gezien had.

MOLOVICH:
Steven Fry zei dat?

KRABBÉ: Nee, haha, Spielberg natuurlijk. Ooit heb ik nog auditie gedaan voor Indiana Jones, maar Steven vond dat mijn hoofd iets te veel karakter had. Ontzettend jammer, maar ja, c’est la vie. We hebben wel contact gehouden. Ik ben een beetje zijn kunstadviseur geworden. Is zo gegroeid. Ontzettend aardige man trouwens, heel erg down to earth gebleven. Dat trekt ons denk ik ook zo in elkaar aan.

MOLOVICH: Aha. Wat is er zo bijzonder deze scène van The Discovery?

KRABBÉ:
Het einde van de scène, als Max en Onno erachter komen dat ze een kosmische tweeling zijn. De opbouw is nagenoeg perfect, en dat komt dan tot een hoogtepunt in het shot dat ze aan weerszijden van een sproeiwagen staan. Van achteren belicht. Als een ets van Rembrandt. Magisch moment.

MOLOVICH:
Laten we gaan kijken.

Jeroen Krabbé zet z’n leesbril op en draait geïnteresseerd naar het scherm.

Het duurt even voordat Jeroen Krabbé zijn bril afzet. Hij blijft een tijdje naar het scherm staren.

KRABBÉ: Ongelooflijk toch, hoe alles op z’n plaats kan vallen. Alles wat ik ben komt daar samen. Acteur, schilder, regisseur. Laatst heb ik ‘m nog eens bekeken in het bijzijn van Willem (Nijholt, red.) en die zei na afloop dat het waarschijnlijk de beste Nederlandse productie ooit is. Heel aardig van je, zei ik daarop, maar dat is natuurlijk ontzettend overdreven. O ja, zei Willem toen, noem dan eens een Nederlandse productie die er bovenuit stijgt?

MOLOVICH: En?

KRABBÉ: Nou, eerlijk gezegd moest ik hem het antwoord schuldig blijven.

MOLOVICH: Misschien de film die we nu gaan zien?

KRABBÉ: Help me even, waar gaan we ook alweer naar kijken?

MOLOVICH: Naar De Vierde Man.

KRABBÉ: Ah, de beste Nederlandstalige film aller tijden. Veel beter dan Turks Fruit bijvoorbeeld. Dat is eigenlijk plat vermaak vergeleken met De Vierde Man. Hele gelaagde film hè. Volgens Rob (Houwer, red.) komt dat door mijn kop, die wat meer diepgang bevat dan die van Rutger (Hauer, red.). Zou ik zelf niet durven zeggen.

MOLOVICH: Maar is ie beter dan The Discovery of Heaven?

KRABBÉ: Hmmm, moeilijk te zeggen. Het is in een andere tijd gemaakt natuurlijk. In een tijd dat de techniek nog niet zo geavanceerd was. Toen was dat het product van de grootste talenten in Nederland. Paul en ik natuurlijk, maar ook Tom (Hofman, red.) en Renée (Stoutendijk, red.), en gebaseerd op het boek van Gerard (Reve, red.). Ik hou niet zo van de boeken van Gerard, maar De Vierde Man is niet onaardig. Ideaal voor de film. In The Discovery zijn de grootste talenten wereldwijd verzameld. Wist je trouwens dat Harry (Mulisch, red.) bij de première tegen mij heeft gezegd dat hij de film beter vond dan het boek. Ik zei tegen Harry, volgens mij heb je een glaasje teveel op, hahaha. Maar hij was de hele avond aan de Spa.

MOLOVICH: Terug naar De Vierde Man.

KRABBÉ: Paul beschouwt dit trouwens als z’n artistieke hoogtepunt.

MOLOVICH: Laten we gaan kijken.

Jeroen Krabbé zet z’n leesbril op en draait geïnteresseerd naar het scherm.

Jeroen Krabbé zet z’n leesbril af en richt zich weer tot Max J. Molovich.

KRABBÉ: Leuk om weer eens te zien.

MOLOVICH: Over Rutger Hauer gesproken: dat is waarschijnlijk de enige die jou misschien naar de kroon steekt als het gaat om succes in Hollywood.

KRABBÉ: Hahaha! Dat is wel heel scherp geformuleerd, Max. Zelf maakt het me niet uit hoor, het zijn vooral anderen die zich er druk over maken. Ongelooflijk hoe de bladen er altijd weer een wedloop van maken. Alsof Rutger en ik in competitie zijn. Het leuke is wel, dat toen Rutger net succes kreeg in Hollywood, ik stikjaloers was. Dat wilde ik ook! Heb ik ooit in een interview toegegeven. Wat dat betreft ben ik een open boek natuurlijk. Kreeg ik de volgende dag een telefoontje van Rutger, die zei dat toen ík succes kreeg in Hollywood híj juist stikjaloers was op mij, omdat de rollen die ik kreeg veel meer diepgang hadden. Ongelooflijk toch. Al die jaren jaloers zijn op elkaar. Hahaha. We kunnen er nu smakelijk om lachen.

MOLOVICH: Zijn er ook goede Nederlandstalige films waarin jij niet hebt meegespeeld?

KRABBÉ: Weinig. De beste films zijn toch gemaakt door Paul als regisseur en Rob als producent. En toevallig zat ik daar meestal ook in. Dat Turks Fruit, waarin ik niet zat, meteen heel erg plat en ordinair is geworden, zullen we maar toeval noemen. Een van Pauls mindere films.

MOLOVICH: We zijn al bij het laatste fragment aanbeland.

KRABBÉ: Jezus (van Nazareth, red.)! Nu al?

MOLOVICH:
Ja, tijd vliegt. Maar goed, The Punisher.

KRABBÉ: O ja. De zinderende finale van The Punisher, een van de beste actiefilms ooit gemaakt. Dit is de Amerikaanse versie. In de oorspronkelijke versie heeft Dolph (Lundgren, red.) net mijn zoontje gered uit de moordzuchtige handen van een Japanse maffiavrouw. Daarna wil ik hem doden, maar mijn zoontje houdt mij tegen, omdat Dolph hem gered heeft. In mijn aarzeling die daarop volgt, doodt Dolph mij. In deze versie hebben ze dat conflict tussen vader en zoon weggelaten. Jammer, want dat geeft het juist die Oedipale diepgang. Daardoor wordt het een Griekse tragedie. Die laag mist het hier. Maar de sterfscène zelf is er niet minder indrukwekkend om.

MOLOVICH: Laten we gaan kijken.

Jeroen Krabbé zet z’n leesbril op en draait geïnteresseerd naar het scherm.

Jeroen Krabbé zucht diep. En glimlacht, verlegen haast.

KRABBÉ:
Tsja. Wat moet je daar nog over zeggen hè?

MOLOVICH: Hoe is het om jezelf te zien sterven? Toen ik net naar je keek, leek het alsof je heel erg schrok.

KRABBÉ:
Elke keer weer is het enorm aangrijpend. Het is… Rationeel weet ik natuurlijk dat ik daar niet echt sterf. Ik bedoel, ik kijk ernaar dus ik leef nog, maar op het moment dat ik zie hoe ik mijn eigen bloed voel, mijn ogen wegdraaien en mijn laatste adem uitblaas, trap ik er toch in. Dan schrik ik me wezenloos. Zo overtuigend is het. Harrison (Ford, red.) heeft wel eens gezegd dat dit zijn favoriete sterfscène aller tijden is. Ik vind dat een beetje veel eer, maar goed, in alle bescheidenheid kan ik zeggen dat het niet slecht is, hahaha.

MOLOVICH:
Bedankt dat je m’n gast wilde zijn.

KRABBÉ: My pleasure, Max. My pleasure.

Max Molovich verlegt zijn blik van Jeroen Krabbé naar de kijkers thuis.

MOLOVICH: Dit was Nazomergasten. Bedankt voor het kijken. Slaap zacht.

Terwijl een rustig kabbelend gitaardeuntje klinkt, rolt de camera langzaam weg van de tafel waaraan Jeroen Krabbé en Max J. Molovich hun gesprek nog even voortzetten. Op gedempte toon horen we Jeroen Krabbé nog iets zeggen over Dolly (Parton, red.), James (Bond, red.) en Nelson (Mandela, red.). Na het horen van die laatste naam, zien we hoe Max J. Molovich vijf keer heel hard met zijn hoofd op de tafel bonkt. Jeroen Krabbé reikt over de tafel heen om te kijken of alles wel in orde is met zijn gastheer. Op het moment dat Jeroen Krabbé de schouder van Max J. Molovich aantikt, lijkt er in laatstgenoemde iets te knappen. Wild slaat hij de arm van Jeroen Krabbé weg. Hij probeert de tafel om te gooien, maar die blijkt aan de grond vast te zitten. En terwijl Max J. Molovich zich na deze mislukte daad van verzet huilend terug laat zakken in zijn stoel, horen we Jeroen Krabbé nog iets zeggen over Catherine (Deneuve, red.) en Roman (Polanski, red.). Daarna gaat het beeld geleidelijk op zwart. Inktzwart.

Dit is een gerestaureerde versie van een stuk dat jaren geleden in delen verscheen op het ter ziele Panzerfaust.org en het slapende Chimsky.

2 responses

Laat een reactie achter bij Spencer Brandsen Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *