Denken denken

‘Je lichaam wordt toch aangestuurd door je hersens?’, vraagt mijn dochter ineens. We zitten aan de ontbijttafel.

‘Zeker’, zeg ik. Zo ben ik op dit moment een cracker met pindakaas aan het smeren, met dank aan mijn hersens die daartoe opdracht hadden gegeven. Andersom gebeurt natuurlijk ook: mijn vingers vertellen aan mijn hersens dat ik een cracker aan het smeren ben. ‘Maar’, zegt mijn dochter, ‘je hersens zijn toch ook onderdeel van je lichaam?’
‘Klopt’, zeg ik.
‘Maar als je hersens je lichaam aansturen, waardoor worden je hersens dan aangestuurd?’
De cracker met pindakaas breekt doormidden.

Toevallig had ik die ochtend tijdens het draaien van de ochtendbolus weer eens wat gelezen in ‘Filosofie: 100 essentiële denkers’ van Philip Stokes. De bladeren zijn enigszins verschrompeld door het vochtige klimaat in onze wc/badkamer, maar dat mag de pret niet drukken. Ik zit ergens aan het begin van de 17e eeuw. Descartes is net langsgekomen. Bovenstaande opmerkingen van mijn dochter waren de vragen die Descartes zich ook had gesteld. Net zoals die andere vraag die mijn dochter ooit aan mij voorlegde: hoe kan je er zeker van zijn dat je niet aan het dromen bent? Descartes vond de oplossing in het denken: als je denkt, dan moet je wel bestaan. Wat bij mij de vraag deed rijzen of je kan denken in je dromen, maar dat terzijde.

Descartes meende dat de geest los stond van het lichaam. De vraag hoe het mogelijk was dat de niet-materiële geest in staat was het materiële lichaam aan te sturen, bleef echter een mysterie. Die ochtend las ik over Nicolas Malebranche, tijdgenoot van Descartes. De oplossing van Malebranche voor dit probleem was dat zowel lichaam als geest worden aangestuurd door God. Om uit te leggen wat Malebranche bedoelde, haalt Philip Stokes een idee van de Vlaamse filosoof Anton Geulincx aan. Stel je hebt twee klokken die precies gelijk lopen. Klok A zie je, klok B hoor je. Als de wijzers van klok A het hele uur aanwijzen, slaat klok B. Omdat je klok A ziet en klok B hoort, zou je kunnen denken dat klok A het slaan van klok B veroorzaakt. Terwijl ze dus volledig onafhankelijk van elkaar zijn. Zoiets is er ook met lichaam en geest aan de hand: het zijn twee klokken die synchroon lopen. Maar dat gaat niet vanzelf: het is God die ervoor zorgt dat lichaam en geest synchroon lopen. God zorgt ervoor dat ik dit stukje typ en God zorgt ervoor dat ik denk dat ik dit doe.

Ik probeer het idee van de twee klokken uit te leggen aan mijn vrouw en dochter. Mijn dochter zegt dat ze wel gelooft dat Jezus heeft bestaan maar niet dat hij uit de dood is opgestaan. Ze vraagt of ze nog een cracker met hagelslag mag.

Een paar dagen later, als ik naast haar loopt terwijl ze aan het rolschaatsen is, vraagt ze of je aan denken kan denken. Ik vraag wat ze bedoelt. Ze zegt: je kan bijvoorbeeld aan paardrijden denken. Kun je op dezelfde manier ook aan denken denken? De vraag doet me duizelen. Ik doe m’n best een antwoord te formuleren. Dat je over denken kan denken. Bijvoorbeeld door na te denken over de vraag of je in beelden of in woorden denkt. Maar volgens mij is dat niet wat ze bedoelt.

Misschien bedoelt ze dit: als je aan het paardrijden bent, kun je denken: ik ben aan het paardrijden. Op dezelfde manier kun je op het moment dat je aan het denken bent denken: ik ben aan het denken. Probleem is wel dat je op dat moment stopt met denken aan hetgeen waaraan je aan het denken was.

En los daarvan: je kunt aan paardrijden denken zonder dat je aan het paardrijden bent. Je kunt zelfs aan paardrijden denken zonder dat je kunt paardrijden. Als je net zo aan denken kunt denken zoals je aan paardrijden denkt, zou je ook aan denken moeten kunnen denken zonder dat je aan het denken bent. En dat lijkt mij onmogelijk.

3 responses

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *