Leven is loslaten

Ik had een puist. Een flinke jongen. Hij zat aan de achterkant van mijn rechterbovenbeen. Een kleine anderhalf jaar geleden was ik ermee naar de dokter gegaan. Het was een ongevaarlijke puist. Goedaardig. Begonnen als een ingegroeid haartje dat tot een ontstoken talgklier leidde. Of iets in die trant. Het is me verteld, maar ik onthoud dat soort dingen nooit. Als het ging irriteren, kon ik het laten weghalen. Maar anders: lekker laten zitten.

Ik liet het lekker zitten. Maar de puist zat precies daar waar de meeste zetels eindigen en werd door voortdurend schuren geleidelijk groter en gevoeliger. Dinsdagmiddag heb ik ‘m laten verwijderen. De dag daarvoor waarschuwde mijn vrouw goed op te letten dat ze echt de puist zouden verwijderen en niet mij. Ze wilde niet met een puist getrouwd zijn. 

De ingreep werd door de huisarts zelf gedaan. Ze had er zin in. Ze hield wel van dit soort klussen, zei ze. Ik was de laatste patiënt van de dag. Ze legde alles klaar. Gebruikte mijn linkerbeen als tafeltje. Ik moest het me comfortabel maken, want ik lag hier wel een klein half uurtje. Ze maakte mijn been rondom de puist schoon. Daarna kreeg ik een blokverdoving: een reeks prikjes rondom de puist. Er zat een klein beetje testosteron in de verdoving zodat het sneller zou werken. Om te testen of de verdoving z’n werk deed, maakte de dokter een klein sneetje. Ik voelde er niets van. De verdoving had z’n werk gedaan. Er kon gesneden worden.

Het mocht inderdaad even duren. Zo nu en dan voelde ik een prikkend gevoel. Los daarvan was het behoorlijk gezellig. We keuvelden wat over mijn puist en over mijn kinderen. De dokter zei dat de puist ongeveer de grootte van een flinke pompoenpit had. Ik wist eigenlijk niet hoe groot pompoenpitten waren. De puist was bijzonder hard voor een puist. Waarschijnlijk was hij inderdaad ontstoken geweest en had hij zich met het nodige littekenweefsel laten omringen. Taaie jongen was het geworden. Zo’n puist heb je er niet zomaar uitgesneden. Ze moest door verschillende huidlagen heen.

Toen hij er eindelijk uit was, maakte ze de puist schoon en legde ze ‘m op een stuk donkerblauw papier. Daarna begon het hechten. Ook dat mocht even duren. Ik voelde hoe mijn huid werd samengetrokken. De hechtingsschaar maakte een piepend geluid. Het was een vrij zware piep voor zo’n klein stuk gereedschap. Het klonk een beetje als de piepende windmolen in de openingsscène van Once Upon a Time in the West. Mijn dokter vertelde dat ze de puist voor de zekerheid nog even naar het lab in Utrecht zou sturen. Niet dat ze iets opzienbarends verwachtte, maar bij zo’n grote puist gebeurde dat standaard. Ik voelde toch een kleine steek van verlatingsangst. Gek wat zoiets met je doet als het moment daar is. Je bent blij eindelijk van ‘m verlost te zijn, maar dan raakt het je toch.

Toen de dokter klaar was met mijn been, kreeg mijn puist nog een stukje hechtingsdraad. Zodat het lab wist wat de bovenkant was, als ik het goed begreep. Ik keek over mijn schouder. Met een tangetje hield mijn dokter een bebloede erwt vast om er een draad doorheen te prikken. Dat was ie dan. Mijn puist. Voorgoed van elkaar gescheiden.

Toen ik mijn broek weer aan had vroeg ik of ik de puist nog even mocht zien. De dokter gaf me het buisje waar de puist in zat. Hij dobberde in een doorzichtig vloeistof. Spierwit was ie. Dat kwam door het testosteron, zei de dokter. Alle bloed was eruit weggetrokken. Hij zag er eenzaam uit. In mijn borst welde een gevoel van melancholie op. Jarenlang deden we alles samen. Deelden lief en leed. Misschien had mijn vrouw wel gelijk en had mijn dokter de verkeerde verwijderd. Zat mijn essentie in dat buisje. Ben ik de puist en wordt Max nu naar het lab gestuurd om te worden onderzocht.

Ik kreeg het even te kwaad, dat mag u gerust weten. Daar ging ie. Naar Utrecht. Hij gaat zelfstandig verder. Zal een nieuw leven opbouwen. Met nieuwe vrienden. Tot diep in de nacht hangen in de kroeg. Thuiskomen wanneer het hem blijft. Hij zal de liefde ontdekken. Dingen doen die ik niet wil weten. ‘En niet het snijden doet zo’n pijn, maar het afgesneden zijn’, schreef Vasalis al.

Dag lieve jongen! Laat nog wat van je horen zo nu en dan. En wees geen vreemde.

13 responses

  1. Uw stukje doet me denken aan mijn pubertijd. Puistenporem, werd ik genoemd, zat helemaal onder. Hoewel wij thuis geen religieuze schijnbewegingen cultiveerden besloot ik het er toch maar eens op te wagen en riep, de handen devoot gevouwen, de Grote Marionettenspeler in Heaven aan.
    ‘God, vríend, kunnen wij een deal maken?’
    Geen antwoord. Dat was in elk geval geen nee.
    ‘Ik ben nu al veertien jaar, da’s voor iemand met een shotje negroïde bloed al flink wat, maar ik dreig in de erotische dimensie lelijk achterop te raken. De chicks zien me niet staan, matti – nee: Matti – met mijn afstotende puistenkop. Als U al die pus waaronder ik zo vreselijk moet lijden, én al die Blueband-gele zooi die me nog te wachten staat, nou ’ns samenbalt tot één grote gore gele klont. Dan laat U me daarmee, laten we zeggen, een week of vijf, zes, genadeloos voor lul lopen en dan – pátsss! – in één keer schoon schip. Kan dat even geregeld worden?’
    Weer geen antwoord. Maar omdat ik me nooit eerder biddend tot de directeur-grootaandeelhouder van Onze Lieve Heer & Zn. BV had gewend verwachtte ik wel enig krediet. Vol vertrouwen viel ik in slaap.
    Ik droomde. Met een kokosnootachtige bult koortsachtig kloppende vuiligheid op mijn voorhoofd liep ik op straat. Litertje of drie, vier – laten we het op een gallon houden. Medepubers gíerden het uit. Wezen me na. Lach maar, dacht ik. Wijs maar. Over anderhalve maand knapt die bom open en ben ik helemaal klaar voor de liefde. Chicks zullen zich rond me verdringen. Om mijn gave huid te mogen kussen. Om zich door de puistenvrije prins die ik dan ben te laten betasten. Te laten penetreren, hihi. Vanaf dat moment leek de droom van de hand van een andere scenarioschrijver. In bevende begeerte verheven tepels, neerdwarrelende slipjes, zich spreidende benen, oplopende vochtgehaltes, als verwarmde frambozen kleurende clitoria. U kent dat wel, meneer Molovich. Graag zou ik meerdere details van deze chimère met u delen, maar met het oog op de krachtige aversie voor seksuele sappigheden van een hier regelmatig gesignaleerde celibataire maquetteplakker moet ik het hierbij even houden.
    Ik werd wakker. Voelde aan mijn… nee! helemáál niet puistenvrije smoelwerk. ‘Téring, God wat flikt U me nóu?’ Zwaar gefrustreerd sloeg mijn vuist op het onderlaken. Het opvallend plakkerige onderlaken. Geen pus, nee. Geen maquettelijm ook, al was het genoeg om er een miniatuur van de halve Bijlmer mee te kunnen construeren.
    De volgende keer, meneer Molovich, zou ik het eens met u willen hebben over het waarom iemand nou eigenlijk maquetteplakker wil worden. Over diens inspiratie.

      • Wat heeft mijn aangepaste naam nou in godsnaam te maken met het verhaal van Perry Tromp? Dat hij trouwens bijna jaloers lijkt te zijn over het feit dat ik maquettes heb gemaakt van het oude station van ‘s-Hertogenbosch (1896-1944) en de Leonarduskerk (1905-1973) heeft te maken met het feit dat ik uit de Brabantse hoofdstad kom en deze inspiratie opliep toen de opvolger van het desbetreffende station (1952-1995) werd gesloopt. Het huidige station daar (1998) wordt hopelijk ook een keer gesloopt daar een namelijk een vreselijk en slecht functionerend snertgebouw is!

    • Vroeger, heel vroeger, bestond er zoiets als een Blogparel, een prijs voor het beste blog van het jaar. En ook in die tijd bestond er een waardering voor de beste/leukste/raakste reactie van dat jaar. Werd er nu weer zo’n wedstrijd uitgeschreven, dan was uw reactie (‘verwarmde frambozen’) er vast met de hoofdprijs vandoor gegaan.

  2. U dacht er makkelijk vanaf te komen: één natte droom en al je puisten zijn verdwenen. Maar zo makkelijk gaat dat zelden in dit leven. De God waarmee u een deal wilde maken, is nu eenmaal onnoemelijk wreed. Hij lijkt onvoorspelbaar en onnavolgbaar maar eigenlijk komt het erop neer dat Hij er een sadistisch genoegen in schept juist de klootzakken te belonen.

  3. Een man met een bochel en een man met een houten poot zitten samen in een cafe. Tegen sluitingstijd gaat de man met de bochel naar huis en neemt de kortste weg naar huis: over het kerkhof. Als hij over het kerkhof loopt, komt er plots een spook op hem af, en die roept: “Hoe, hoe, wat heb je daar op je rug?”
    “Oh, een bult,” zegt de man berustend. “Geef maar hier,” zegt het spook en neemt zo de bochel weg. De volgende avond vertelt de man aan zijn vriend in het cafe wat hem is overkomen: “Loop ik over het kerkhof, komt er een spook op me af, vraagt wat ik op mijn rug heb en neemt ze mijn bochel weg. Weet je wat jij moet doen? Jij moet vanavond ook over het kerkhof gaan!”
    Dezelfde avond loopt de man met de houten poot over het kerkhof. Dan verschijnt plots het spook, dat roept: “Hoe, hoe, wat heb je daar op je rug?”
    “Niks.” Zegt het spook: “Hier, heb je een bult!”

  4. ‘En niet het snijden doet zo’n pijn, maar het afgesneden zijn’, schreef Vasalis.’

    Door Gerrit Komrij geparodieerd tot: ‘Niet het snijden doet zo’n pijn, maar het afgezaagd refrein’

Laat een reactie achter bij Jules Vismale Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *