Vrijheid

IMG_20190127_144400842

‘Horen die kinderen bij u’, zei de mevrouw achter de balie van De Fundatie. Ja, die kinderen hoorden bij mij. Alle vier. Mijn dochter van zeven, mijn zoon van negen en twee buurjongetjes (B. van negen en J. van tien). Het was zondag, alle sneeuw was verdwenen, het regende: dit was het ideale moment om mijn belofte aan Rigo Reus na te komen en de 50 Nederlandse kernkunstwerken vanaf 1968 te bezichtigen.

Mijn kinderen hadden er geen zin in. Ze wilden thuisblijven. Mijn zoon was met B. en J. aan het spelen. Hij vroeg of ze mee mochten. Van mij mocht het. Had mijn zoon niet gedacht. Eerlijk gezegd had ik er niet gedacht dat ze mee zouden willen. Mijn zoon ook niet denk ik. Zijzelf wisten het ook niet. Ze durfden allebei niet te beslissen. Beiden wilden dat de ander de beslissing nam. De ander wilde niet beslissen. Er kwam een muntje aan te pas. Kop en ze zouden niet meegaan. Munt en ze zouden wel meegaan. Het werd munt. ‘Volgens mij hebben ze helemaal geen zin om mee te gaan’, fluisterde mijn zoon. Dat gevoel had ik ook. Maar ze gingen toch mee. Er was geen weg terug meer.

Mijn dochter was de hele fietsrit boos omdat haar broer zonder handen reed. Ze was niet alleen boos op haar broer, maar ook op mij. Dat ik mijn zoon toestond om zonder handen te rijden. Ik had wel een paar keer gezegd dat hij moest stoppen. Niet omdat ik het zo gevaarlijk vond, maar omdat het de makkelijkste manier was om mijn dochter te laten stoppen met mokken. Ze had mijn beweegredenen door en werd nog bozer. Ze is de laatste tijd erg goed in mokken. Ze mokt om alles. Duikt graag weg in een slachtofferschap waarin niemand naar haar luistert en iedereen haar benadeelt.

Voor de ingang van het museum staat The Monument van Atelier Van Lieshout, een vrij luguber bronzen beeldhouwwerk. Een gezichtsloze man zit op een steigerend paard en staat op het punt een andere gezichtsloze man een ram te geven met een knots of een uit de kluiten gewassen slinger. Deze gezichtsloze man bedekt zijn hoofd om zich te beschermen tegen de knots en de hoeven van het paard. Weer een andere gezichtsloze man ligt naast het steigerende paard. Hij hang over de sokkel, met zijn opengereten buik naar boven. Ik vermoedde dat het beeld een commentaar was op het Nederlandse slavernijverleden.

‘Vind je het mooi?’, vroeg ik aan mijn dochter. Ze was nog steeds woedend om haar broer en diens gefiets zonder hanen. ‘Straks valt hij en heeft hij net zo’n wond als ik, zou je dat leuk vinden?’, zei ze. Er zit momenteel een vrij pijnlijke wond onder haar oksel. Mijn schuld. Ze had een irriterend puistje onder haar oksel. Ik kon geen gewone pleister vinden en heb er toen een blarenpleister opgedaan. Dat had ik beter niet kunnen doen. Toen mijn vrouw die eraf trok, kwam er een stuk huid van mijn dochter mee. Ze loopt nu de hele dag met haar rechterbovenarm horizontaal. Alsof ze een marionet is.

Vlak voordat we het museum in gingen zei ik tegen mijn zoon dat hij niet meer zonder handen mocht fietsen. Hij zei dat hij nooit zonder handen fietste. ‘Kijk maar’, zei hij en liet zijn handen zien, ‘ik heb mijn beide handen toch? Hoe kan ik dan zonder handen fietsen?’ Tegen zoveel logica was uw dienaar van het woord niet opgewassen.

Boven ons hingen levensgrote poppen. Ik wees mijn zoon erop toen we in de rij stonden te wachten, in een poging zijn interesse voor deze tentoonstelling te wekken. Leer mij negenjarige jongetjes kennen. ‘Je kan onder de rok kijken’, zei ik tegen hem. Mijn zoon keek naar boven en vertelde buurjongetje J. Die proestte het uit. We waren aan de beurt. De mevrouw achter de balie van Museum de Fundatie zag de bui hangen, zoals u ongetwijfeld had begrepen na het lezen van de eerste zin van dit stukje. ‘Heeft u ze in de hand?’, vroeg ze. Ze keek ons streng aan. ‘Ik hoop het’, zei ik. Mijn schrijvende straatgenoot Rodaan vergeleek buurjongetje J. eens met twaalf apen, zo alomtegenwoordig kan ie zijn. Waar was ik aan begonnen? ‘Niet rennen, niet schreeuwen en niks aanraken’, zei de mevrouw achter de balie. ‘Anders gebeuren er hele vervelende dingen.’ Dat klonk dreigend. Alsof ze The Punisher hoogstpersoonlijk op ons af zou sturen mocht mijn dochter een schilderij aanraken.

Het was belachelijk druk. Dat had ik eerlijk gezegd niet verwacht. Maar het was vrij logisch: het was zondag, alle sneeuw was verdwenen, het regende… dit was het ideale moment om een tentoonstelling met de vijftig Nederlandse kernkunstwerken vanaf 1968 te bezichtigen.  ‘We blijven niet langer dan een half uur toch?’, vroeg mijn zoon. Dat beloofde ik. Niet langer dan een half uur. Zo lang ik het kunstwerk met de ijsbreker maar zou zien was ik tevreden. Naast de lift hingen tv-schermen met camerabeelden uit alle zalen, zodat je goed kon zien of er geen kunstwerken werden aangerand. Omdat kunst saai is besloten mijn museumgenoten op zoek te gaan naar camera’s om hun fifteen minutes of fame te claimen en Fortnite-dansjes te doen zodra ze er een hadden gevonden.

Met de lift gingen we naar de bovenste verdieping. Dan bevind je je in de bol van De Fundatie. Toen ik net in Zwolle kwam wonen was de bol in aanbouw. Ik vond het een soort puist de ze bovenop een foeilelijk classicistisch gebouw hadden gepropt. Een tang op een varken. Inmiddels rijd ik er bijna dagelijks langs en kan ik niet meer zonder ’m. De bol bestaat uit duizenden kleine lichtblauwe tegeltjes die niet allemaal op dezelfde manier zijn gelegd, zodat ze de lucht op een onvoorspelbare manier weerspiegelen. Op grijze dagen zoals deze lijkt de grens tussen bol en hemel te vervagen. Het is vermoedelijk wel de minst praktische ruimte ooit om een tentoonstelling in te houden. Er kan niks aan de muren hangen. Of het uiterlijk was belangrijker, of niemand heeft hierover nagedacht.

Nadat iedereen z’n Fortnite-dansje voor de camera had gedaan, zagen we het eerste kunstwerk. Het zag eruit als een grote kartonnen auto. Er ging een deurtje open, wij gingen naar binnen. Er draaide een film. We waren in Afrika. Er werd gedanst en gerapt. Mijn dochter ging weer naar buiten. Ik ging haar achterna. De kartonnen bioscoop bleek een uitvergrote pillendoos van een medicijn tegen malaria, een kunstwerk van Erik van Lieshout. Een van de bijwerkingen van het geneesmiddel: je krijgt er zelfmoordneigingen van. Mijn dochter zag Mickey Mouse. Ik keek naar het kunstwerk waar zij naar keek. Mickey Mouse zag er belabberd uit. Graatmager. Lijkbleek. Een rood-witte blindenstok in de hand. Mijn dochter houdt niet zo van Mickey Mouse. Ze vindt ’m een betweter. Ik ben het met haar eens.

We gingen een verdieping lager. Een stuk of vijftig biggetjes keken naar een katheder. Bruine, witte en zwarte biggetjes. Ze kijken aandacht. Al die tijd werden we gevolgd door een man in een zwart pak. Ik wist niet helemaal zeker of het iemand van security was of gewoon een medebezoeker die er hetzelfde tempo als wij op nahield en nu eenmaal graag in het zwart gekleed gaat. Mijn gezelschap wist zeker dat het iemand van de beveiliging was. Buurjongetje B. is er zeer over verbolgen. Het zit ‘m duidelijk hoog. Hij ziet het als een belediging. Een motie van wantrouwen. Een aantasting van zijn vrijheid

En laat dat nu net het thema van deze tentoonstelling zijn: Vrijheid. Ik begon zo langzamerhand het donkerbruine vermoeden te krijgen dat we de titel ironisch moesten opvatten.

Het kunstwerk met de vijftig biggen heet The Unexpected Return of Blinky Palermo from the Tropic en is van Seymour Likely. De biggen doen me aan Animal Farm denken. En van Animal Farm is het een kleine stap naar 1984. Het plaatje wordt scherper. De camera’s die overal hangen. De beveiliger die ons volgt. De biggen die gehypnotiseerd naar een katheder kijken. Mickey Mouse die oud en gehandicapt is. De bronzen slaven die gegeseld worden. Een geneesmiddel waar je zelfmoordneigingen van krijgt. Niemand is vrij. We zijn allemaal slaaf van onze genen, onze leeftijd, onze kwalen, onze taal, onze dromen en onze driften. We zitten gevangen in een kiertje licht tussen twee eeuwigheden van afwezigheid. Mijn dochter wilde iets aanwijzen en stapte over de niet-betreden-tape heen. Ik hield haar tegen door haar iets te ruw bij haar gewonde arm vast te pakken. Ze gaf een kreet van pijn. Beschuldigende blikken waren mijn deel. In mijn ooghoeken zag ik de bewaker een stap dichterbij doen.

IMG_20190127_143322682

We raasden door. Liepen door een zaal met foto’s en schilderijen en kwamen weer uit bij een zaaltje waar ze een film vertonen van een man die een harnas van levende bijen draagt. Springtime van Jeroen Eisinga. Mijn dochter vroeg of dit echt gebeurd was. Ze ging op het bankje zitten. De bijenman had zijn ogen gesloten. Toen de bijenman zijn ogen opende, kreeg mijn dochter het gevoel dat hij haar aankeek. Ze zwaaide heel even naar hem terug. Op zo’n manier dat niemand het zag. Hij deed z’n ogen weer dicht. Daarna weer open. Ze zwaaide nog een keer. Automatisch.

IMG_20190127_143850384

We kwamen bij een sofa die bekleed was met zwart, wit, geel en roze nepbont. Uit de sofa steken vrolijk dildo-achtige tentakels. Het kunstwerk heet Clementine’s Dream en roept bij mij associaties op met muggen, vulva’s en piemels. De tentakels doen mijn zoon denken aan zijn eerste knuffel. Hij heeft gelijk, ik zie het ook, het zijn de ledematen van monsieur Sochette, een knuffel die wij in Avignon hadden gekocht, een paar maanden voor zijn geboorte.

We eindigden bij Nummer acht, everything is going to be alright van Guido van der Werve, het enige kunstwerk dat ik echt niet wilde missen. Ik had het al een keertje gezien in een museum Toulouse. Een enorme ijsbreker komt heel rustig op ons af. Voor de ijsbreker loopt een man, de kunstenaar zelf. Het tafereel is van veraf gefilmd, waardoor het lijkt alsof de kunstenaar maar enkele tientallen meters voor de ijsbreker uit loopt. Hij kijkt niet om. Loopt maar door. Soms struikelt hij bijna, lijkt hij te strompelen, alsof hij elk moment neer kan vallen. De ijsbreker vaart gestaag door. Doorklieft het ijs moeiteloos. Mijn dochter vraagt of het echt gebeurd is. Ik beaam dat het echt gebeurd is. Mijn dochter gelooft het niet. Ze zitten met z’n vieren op het bankje naar de man voor de ijsbreker te kijken. Mijn zoon vraagt wat de bedoeling is. Ik zeg dat ik het niet weet. Het heeft geen bedoeling. Het is een man die voor een ijsbreker uitloopt. Mijn zoon vindt het natuurvernieling. Het ijs had ook heel gelaten kunnen worden. ‘Kunnen we nu gaan?’, vraagt mijn dochter. We kunnen nu gaan.

We namen de lift naar beneden. Omdat de lift eerst naar boven ging, duurde het even voordat we beneden waren. In het café aan de overkant dronken we nog wat. Mijn gezelschap wilde tikkertje spelen. Daar was het eigenlijk te druk voor. Maar de opgekropte energie moest eruit. Ik kon ze niet langer in bedwang houden. Ik zag de apen vliegensvlug door de mensenmassa kronkelen. Dit moet wel ongelukken opleveren. Koppen gloeiendhete thee die door de lucht vliegen. Ellenbogen die tegen hoofden stoten. Kinderen die van de trap rollen. Ik roep ze bij me. Zeg dat we zo gaan. Buurjongetje J. gaat op de grond liggen. Mijn zoon springt er bovenop. Buurjongetje B. springt daar weer bovenop. Mijn dochter durft niet zo goed omdat ze haar okselwond niet wil belasten.

Als we weer thuis zijn en ik de brochure bekijk zie ik nog wat kunstwerken die ik eigenlijk niet had willen missen. Ik ga nog wel een keer in m’n eentje.

4 responses

  1. Poe. Je hebt het jezelf niet makkelijk gemaakt door 4 i.p.v. 2 kinderen mee te nemen, waaronder die ene drukke. Doet me denken aan een stukje van Henk Spaan die met een sliert kinderen naar Artis ging. Bang er onderweg er een kwijt te raken, moesten ze elkaars hand vasthouden en telde hij ze steeds, zeven, ja, zeven, gelukkig. Op een gegeven moment telde hij er acht.
    Misschien is je stukje iets voor PeeJee Cokema of voor de Fundatie zelf?

  2. Haha, die Spaan! Wat dat betreft is vier wel makkelijker. Dat zie je in één oogopslag. Zeven kinderen moet je inderdaad tellen. Maar eerlijk gezegd: ik had niet verwacht dat ze mee wilden gaan, de extra twee kinderen.

  3. De Fundatie! Die zag ik toevallig gisteravond op de televisie! Die ook een irriterende puist heeft maar dan boven op heur hoofd.
    Ik ben nog nooit in Zwolle geweest en had eigenlijk geen idee hoe het daar is, en Molovich heeft ons dat niet verteld, maar het blijkt onvoorstelbaar mooi te wezen! Één mijner geliefde Hanzensteden! Schitterend! Dat ik dat nog niet wist. Met het Anton Piekmuseum! Ik móet er zsm naar toe.

  4. Ah, u heeft naar de Von Rossumpjes gekeken. Het Anton P. museum ligt in Hattem. Dat wist ik overigens helemaal niet. Tot gisteren. Maar je bent altijd welkom hè. Dat weet je.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *