Geen been (3)

‘Heb je het al gehoord’, zei de daklozenkrantverkoper met het baardje, ‘Herman is dood.’ Ik nam aan dat Herman de daklozenkrantverkoper zonder been was. Ik wist niet dat hij Herman heette, maar wie kon het anders zijn?
‘Wat is er gebeurd?’, vroeg ik.
‘Vandaag… Nee morgen precies drie weken geleden. Ik zag het zo gebeuren.’
Morgen precies drie weken liep ik door de straten van Porto. Keek ik naar straatkinderen die van de brug in de Douro sprongen.
‘Hij viel zo vanuit z’n wagen voorover.’ Toen wist ik zeker dat Herman de daklozenkrantverkoper zonder been was. Want die zat altijd in een wagentje. Ook toen hij nog wel allebei zijn benen had. Dat was omdat hij niet kon lopen van de pijn. Een paar jaar geleden hadden ze zijn tenen geamputeerd. Daarna was zijn been geel geworden. Komt voor, had de dokter gezegd. Maar een hele tijd later, toen de pijn ondraaglijk werd, bleek dat zijn been van binnenuit was gaan rotten. Toen hadden ze zijn hele been er maar afgehaald.

Het was bloedheet geweest toen Herman stierf. Zoals het overal in wereld bloedheet was drie weken geleden. Aanvankelijk dacht de daklozenkrantverkoper met het baardje dat zijn maat een zonnesteek had. Misschien was het bier niet goed gevallen. Maar dat was het dus niet. Het was een longembolie.

Nadat ze zijn been eraf hadden gehaald, begon zijn been te ontsteken. Hij bleek allergisch voor de nietjes. Onlangs was hij weer met bloedvergiftiging opgenomen, als ik het mij goed herinner. Hij had zichzelf uit het ziekenhuis ontslagen, begreep ik nu. Hij was bovendien gestopt om zijn medicijnen op te halen. Bij het ziekenhuis namen ze aan dat hij niet meer geholpen wilde worden.

‘Ik mag nog twee maanden in zijn huis wonen en dan moet ik eruit.’ De daklozenkrantverkoper met het baardje had tranen in zijn ogen. Hij zag er fragiel uit, zag ik nu. Mager hoofd. Wat korter haar. Herman had erop gestaan dat zijn vriend bij hem in kwam wonen. Hij had een huis in de Pierik. De begeleider van Herman had het allemaal geregeld. Op aandringen van Herman. ‘Waarschijnlijk voelde hij het zelf aankomen. Onbewust wist hij dat hij dood ging.’

Ze kenden elkaar sinds 1995. De daklozenkrantverkoper met het baardje woonde toen boven Het Keldertje. Kende ik dat niet? Zat vlak bij het Vliegend Paard. Kende ik ook niet. De vriendin van Herman werkte achter de bar in het Keldertje. Zo hebben ze elkaar leren kennen. Ik vroeg of Herman nog familie had gehad. Een zus. Maar dat was ook niet bepaald altijd koek en ei.

Hij had de strijd misschien opgegeven, maar dood wilde hij niet, zei de baard. ‘Hij had gezegd: als ik dood ga, laat me dan doodgaan. Maar toen hij gevallen was, wilde hij dat ik een ambulance riep. En als je een ambulance wil, dan wil je niet dood. Of wel dan?’
‘Nee’, zei ik. Dan wil je niet dood. Ik wist niet of dit ging over de val die Herman fataal was geworden of over een andere val. Ik vroeg het niet. Toen het been van Herman geamputeerd was, vertelde hij dat ze hem een prothese hadden beloofd. Dan zou hij eindelijk weer kunnen lopen.

One response

  1. Voor hen die met regelmaat een wat minder bescheiden promillage nuttigen behoort de spreekwoordelijke relatie tussen vallen en opstaan tot de Grote Overdrijvingen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *