De wereld is plat

Het was hun laatste avond hier in Zwolle. Morgen zouden ze naar mijn ouders gaan. Drie dagen later gingen we op vakantie. Ik fietste samen met vier kinderen richting de IJssel. Mijn zoon en dochter en twee buurjongetjes. Het was minder warm dan de dagen ervoor. Maar nog steeds behoorlijk warm. We moesten omrijden omdat het weggetje naar de dijk was afgezet. Je kon langs de afzetting, maar het was niet zonder gevaar. Vallende takken.

Mijn zoon trok zijn stuur op. Zijn wiel kwam een centimeter of tien van de grond. Hij vroeg hoe je dat doet, steigeren. Hij deed het nog een keer. Ik vertelde dat je niet alleen je stuur omhoog moet trekken, maar tegelijkertijd ook naar voren moet trappen. Hij snapte het niet. Hoe kan je voorwiel omhooggaan als je naar voren rijdt? Zorg ervoor dat je rechterpedaal omhoog staat, zei ik. Trap dan krachtig naar voren en trek aan je stuur. Ik zal het voor doen. Ik deed het voor. Rechterpedaal omhoog. Ik trapte naar voren en trok aan mijn stuur. Mijn fietstassen zaten vol met handdoeken. Het ging iets te makkelijk. De wereld kantelde. Ik zag de blauwe hemel. Ik zag de witte fietstassen. Ik lag plat op mijn rug. Het stuur in mijn handen. Mijn fiets bovenop mij. Ik zag de berm, de dijk, mijn kinderen.

Daar lag een man op het asfalt van een verlaten polderweggetje. Om hem heen drie jongetjes en één meisje die zich kapot waren geschrokken. De man die daar op de grond lag was zich ook kapot geschrokken. ‘Gaat het?’, vroeg het jongste jongetje. ‘Het gaat wel’, zei de man op de grond.

Ik krabbelde overeind. Alles leek het nog te doen. Mijn ingewanden hadden een klap gehad. Mijn hoofd ook. Ik voelde of mijn achterhoofd plakte. Mijn hoofd was gespaard gebleven. Kin op de borst, zo heb ik ook leren vallen met karate. Maar eigenlijk kon ik me niet voorstellen dat het me gelukt was die techniek toe te passen. Het ging te snel. En zo geconditioneerd ben ik nog niet. Het ene moment fietste ik. Het andere moment lag ik.

Mijn zoontje en het oudste buurjongetje vertelden opgewonden over een schoolgenootje dat zo goed op zijn achterwiel kon rijden dat hij drie keer rond de muziektent kon. Maar ook hij was een keer gevallen. En had zijn rug gebroken. Er kwam een ziekenwagen het schoolplein oprijden. Ik hoopte dat ik niks gebroken had. Met mijn dochter keek ik naar de eeuwige pootafdrukken van een hond die door het natte cement had gewandeld.

Mijn kinderen en de buurjongetjes maakten even later bommetjes in de ondergelopen uiterwaarden van de IJssel en deden spelletjes. Ik bleef langs de kant slaan. Achter de rode spoorbrug ging de zon onder. Vliegjes dansten om me heen. Het voelde alsof ik in elkaar was getrapt. Alles bont en blauw. Op de terugweg reden we wel door de laan met de vallende takken. Met gevaar voor eigen leven.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *