Le mot juste

Het lag voor het oprapen. Zoveel was duidelijk. Het enige wat ik hoefde te doen, was mijn hand uit te steken en ik had het. Maar het lukte niet mijn hand uit te steken. Nee, dat was het niet. Het lukte wel mijn hand uit te steken, maar dan greep ik mis. Alhoewel, ik greep geloof ik ook niet mis. Ik greep helemaal niet. Ik stak m´n hand wel uit, maar ik bleef mijn handen tot vuisten knijpen. Niet in staat mijn handen te openen en het te grijpen. Het lag daar. Voor het oprapen. Maar ik raapte het niet op. Misschien omdat het toch niet precies was wat ik zocht. Misschien bevond wat ik zocht zich wel heel ergens anders. Misschien was het wel helemaal niet van deze wereld. Misschien bestond het toch niet. Dacht ik wel dat het voor het oprapen lag, maar was dat slechts een schim van iets wat niet bestond. Dan zou ik natuurlijk lang kunnen zoeken. Dan zou ik een eeuwigheid kunnen zoeken.

Maar het gevoel dat het voor het oprapen lag, bleef. Ik was er vlakbij. Het lag een paar millimeter naar rechts. Of een paar millimeter naar links. Maar rechts of links, en een paar millimeter verderop of niet, waar het ook lag, het lag in nevelen gehuld.

Meestal, wanneer je iets niet kan vinden, betekent dit dat je te hard zoekt. Zodra je stopt met zoeken, zie je het ineens. Uit het niets. Dus is het zaak om te stoppen met zoeken als je iets niet kan vinden. Maar dat is eenvoudiger gezegd dan gedaan. Want dit zoeken kun je niet zomaar uitzetten. Als je tegen jezelf zegt dat je gaat stoppen met zoeken, ga je namelijk gewoon door met zoeken. Daar kun je niks aan doen. Je hersens gaan door, ook al richt je je volle aandacht op iets anders. Toch zit er niks anders op dan het te proberen. De zinnen te verzetten. En zo kwam het dat ik ernaar zocht tijdens het koken. Ik zocht ernaar tijdens het afwassen. Ik zocht het in het beekje tijdens het nachtelijk zwemmen. Ik zocht het in het koelvak van de Intermarché. Ik zocht het tijdens de voetbalwedstrijd die vanuit de camping werd georganiseerd. Ik hoopte dat ik het zou vinden als ik een kopbal zou maken. Maar het enige wat ik eraan over hield, was een gevoel van duizeligheid en koppijn. Wat ik zocht, had ik echter nog steeds niet gevonden.

David Lynch vertelde ooit in een interview hoe hij de sleutel van zijn verhalen meestal bedenkt in een halfslaap. Komt hij op een punt dat zijn verhaal een sleutel nodig heeft, dan wacht hij tot hij moe is. En als hij dan moe is, dan dommelt hij weg in zijn favoriete stoel. Tijdens deze lichte slaap komen de oplossingen tot hem. Wellicht was dit ook wat voor mij. Ik begon te lezen in Umberto Eco’s In de naam van de Roos. Na een minuut of vijf werden mijn oogleden zwaar. Knikkebollend viel ik in een ondiepe slaap. Daarin verscheen ik zelf. ‘Waar denk je dat je mee bezig bent’, vroeg ik aan mezelf. Ik antwoordde dat ik zoekende was. Ik schudde meewarig mijn hoofd. ‘Wat is er?’, vroeg ik aan mezelf. Maar er was niks. Ik kon alleen mijn tijd beter verdelen.

Niet lang daarna had ik het te pakken. Om het vervolgens meteen weer te verliezen.

2 responses

  1. Praat met saaie mensen! Zo kom ik op mn beste ideeen: als mensen te saai zijn om naar te luisteren, dan kunnen je gedachten afdwalen. De ALLERbeste ideeen komt wanneer je ook echt een hekel aan ze hebt: dan helpen je hersenen om met de meest irritante shit te komen, om ze maar te narren. Mensen zijn best handig.

Laat een reactie achter bij Kippfest Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *