De zitzak

Een paar dagen voordat wij richting Frankrijk vertrokken, kocht ik bij een niet nader te noemen webwinkel een zitzak die je met lucht moet vullen wil je erop zitten. Het oorspronkelijke model is door een Nederlander ontworpen. Via het bekende zitzakkenmerk Fatboy is deze uitvinding op de markt gebracht onder de naam Lamzak. Het idee is als volgt: je opent de zitzak, zwaait er een paar keer mee boven je hoofd en zorgt er zo voor dat de zitzak zich vult met lucht. Heb je genoeg lucht gevangen, dan doe je de zitzak dicht, je rolt het uiteinde een paar keer op en zet ‘m vast met het soort clip waarmee je bijvoorbeeld de flap van een rugzak dicht klikt. Dan neem je op de met lucht gevulde zitzak plaats en geniet je van je welverdiende rust.

Mijn luchtzitzak is in China gefabriceerde namaak en daardoor in prijs ongeveer een derde van het origineel. Ik had de zitzak stiekem gekocht. Mijn vrouw was er namelijk op tegen. Ze vond het onzin om 25 euro uit te geven aan een stuk plastic dat een paar dagen leuk is, maar in onbruik raakt zodra je er drie keer mee boven je hoofd hebt moeten slingeren omdat ie binnen een half uur leegloopt. Daar kwam bij dat ze sowieso van mening was dat ik veel te veel spullen meenam. Als het aan haar ligt, nemen we alleen het puur noodzakelijke mee. Terwijl ik onze auto het liefste zo vol mogelijk stouw.

Mijn vrouw werd geamuseerd boos toen ik, op de camping aangekomen, de zitzak achteloos tevoorschijn haalde en hem routineus begon te vullen met lucht. Mijn kinderen barstten in juichen uit. Ze hadden de zitzak op een festival leren kennen en waren direct fan. Niet in de laatste plaats omdat je elkaar kon katapulteren wanneer één kind op het randje van een half gevulde zitzak plaatsnam en een ander kind er met een grote sprong op neerplofte. Dan tartte zo’n kind een halve seconde de zwaartekracht.

Mijn vrouw leek al snel gelijk te krijgen. Uiteraard gaf ik dat niet toe. Bij mijn zoon was de zitzak een groot succes, maar hem lukte het niet om genoeg lucht te vangen, dus stond ik om de haverklap met dat grote, zwarte geval boven mijn hoofd te zwaaien. Mijn vrouw lachte in haar vuistje.

We bevonden ons in de Languedoc, op een camping naast een beekje dat La Cèze heet. Op het heetst van de dag is het hier vaak 35 graden. Op de vierde dag nam ik de zitzak mee naar het beekje. Dat was me verboden door mijn vrouw. Ze schaamde zich. Vond het ordinair om met zo’n dom ding aan de oever van het beekje te gaan zitten. De zitzak in het water laten drijven was me zelfs uitdrukkelijk verboden. Ik deed het toch. Tot grote vreugde van mijn zoon, die direct plaatsnam op het drijvende geval. Het werkte als een tierelier. ‘Ik ken deze man niet!’, riep mijn vrouw tegen niemand in het bijzonder. Ik nam me voor om wat vaker tegen de wil van mijn vrouw in te gaan. Ik had mezelf te lang verwaarloosd. Een beetje rebellie was gezond. In de verte klonk gedonder.

De volgende dag echter, leek de zitzak een heel klein beetje groter. Toen mijn zoon terug kwam van het plassen, vroeg ik of hij hem had gevuld. Hij ontkende. Misschien kwam het door het ochtendlicht. Toen mijn zoon erin ging zitten, verdween hij in zijn geheel. Er staken alleen nog wat voeten en armen uit. Spartelend vocht hij zich naar buiten. Aan zijn gezicht zag ik dat hij geschrokken was. Maar hij herpakte zich snel. Je laat niet merken dat je zojuist bijna bent verslagen door een zitzak. Hij deed het nog een keer. En weer verdween hij. ´Dit is leuk!´, zie hij, toen hij er weer uit was. En deed het nog een paar keer. Daarna gingen we zwemmen. Ik besloot de zitzak bij de tent te laten.

Een paar dagen later (het was een uur of acht, de schemering begon in te zetten), zag ik ineens dat de zitzak heel rustig groter en dan weer kleiner werd. Hij vulde zich met lucht, en liet het daarna los. Als een gigantische long groeide de zitzak, en kromp de zitzak ineen. ‘Hij ademt’, dacht ik. Zodra ik mijn hand erop legde, was het echter afgelopen. Alsof het zijn adem inhield zodra ik hem aanraakte. Ik vroeg aan mijn vrouw of het haar ook was opgevallen dat de zitzak groter was geworden. ‘Het zou me niks verbazen’, zei ze zonder van haar boek over kritische discours-analyse op te kijken. En wenste er verder geen woorden aan vuil te maken.

Die nacht onweerde het. Toen ik de volgende dag buiten kwam, bleek de zitzak de grootte van een Fiat 500 te hebben. Mijn zoon begon te dansen. Hij dook erin en verdween in zijn geheel. Zelfs zijn armen en benen verdwenen. Het duurde een kleine veertig seconden voordat hij er weer uit was. ´Wow!´, zei hij toen hij weer naast me stond, ´ik weet niet of ik dit nog een keer moet doen.´ Maar kennelijk was de aantrekkingskracht te groot, want voordat ik hem kon verbieden de zitzak nogmaals binnen te gaan, was hij alweer verdwenen. Ik riep mijn zoon terug te komen, maar kreeg geen antwoord. Ik stak snel mijn hoofd naar binnen. Het was pikdonker binnen. Ik riep mijn zoon. Als uit het niets, verscheen hij ineens voor me. ´Hoi papa´, zei hij. Ik pakte hem vast en trok hem naar buiten. ´Je moet het ook eens doen´, zei hij tegen me. ´Ik kijk wel uit´, zei ik. En verbood mijn zoon om er ook maar aan te denken het nog een keer te doen.

Ik vroeg mijn vrouw tijdens de afwas of ze vond dat ik de zitzak weg moest doen. ‘Liever vandaag dan morgen’, zei ze. Dat waren precies de woorden die ik nodig had: ik besloot de zitzak weg te gooien. Gooide hem in de eerste de beste container die niet té vol zat. Ik meende een diepe zucht te horen.

Tegen het einde van de middag gingen we weer zwemmen. Het was een mooie dag. Weer zo’n 35 graden, maar de wind die de blaadjes aan de bomen deed ritselden, zorgde ervoor dat het goed uit te houden was. Had de zon te lang op je rug gebrand, dan nam je een duik in het verfrissende water. Mijn zoon ging met zijn bodyboard het watervalletje af, mijn dochter probeerde visjes te vangen, mijn vrouw was bezig met haar studie en zat diep in Foucault.

Tegen etenstijd bereikten de eerste geruchten ons. We zaten nog steeds bij het beekje. Ik probeerde het te negeren. Hopend dat het vanzelf voorbij zou gaan. Uiteraard wist ik dat deze hoop ijdel was. Het was overduidelijk waar de geruchten over gingen. En iedereen wist van wie die zitzak was. Wij hadden een vrij prominente plek op de route richting de sanitaire voorzieningen. En mijn zitzak was al die tijd moeilijk te negeren geweest. Er zou een moment komen dat ik mijn verantwoordelijkheid moest pakken. Hoe langer ik zou wachten, hoe groter het probleem zou worden. Maar ik was er nog niet aan toe redding te brengen. Iets in mij bleef hopen op een wonder.

Een jongetje schreeuwde vanaf de kant naar zijn vader dat hij onmiddellijk moest komen. De caravan werd opgeslokt. Mijn vrouw keek mij met een diepe frons aan. ‘Ik ga al’, zei ik. Mijn zoon wilde mee, maar dat mocht niet van mijn vrouw.  ´Dit mag papa alleen oplossen´, zei ze.

De zitzak had inmiddels de grootte van een bouwkeet. Honderden mensen stonden er omheen. Sommigen waren bezig hun tent af te breken of hun caravan aan hun auto te koppelen in een poging te voorkomen dat ze opgeslokt werden. Maar de meeste mensen keken gewoon. In het midden van de kring van mensen, stond één man recht voor de zitzak. Met een tentstok in zijn handen probeerde hij de zitzak zijn wil op te leggen. Als een dompteur in het circus. ‘Vade ad deum’, riep de man naar de zitzak. Maar de zitzak week niet. In- en uitademend groeide de zitzak langzaam maar gestaag. Iemand gaf me een duw en zei iets in het Frans. Ik herkende hem als de rustige Fransman die zijn tentje aan het einde van onze laan had staan. Het was een fietser die, als hij niet aan het fietsen was, altijd met zijn neus in een boek zat. Zelfs als hij naar het toilet liep. Maar kennelijk was het hem wel opgevallen van wie de zitzak was. Ik liep naar de zitzak toe en ging naast de man met de tentstok staan. ‘Laat mij maar’, zei ik. ‘Het is mijn zitzak.’

‘Kom terug papa’, hoorde ik wat verder weg. Ik keek om en zag mijn gezin. Mijn kinderen huilden, mijn vrouw stond met haar armen over elkaar de andere kant op te kijken. Naast haar stond de campingbaas, met zijn arm om haar heen. ‘Wees niet bang’, zei ik. ‘Ik kom terug.’

Het volgende moment vloog ik door een kille duisternis. Langs vuilnisbakken, caravans, luchtbedden en tenten. Ik werd dieper en dieper naar binnen gezogen totdat ik uiteindelijk terechtkwam op een vloer van trampolinemateriaal. Ik stuiterde omhoog, alsof ik gewichtsloos was. Daalde en stuiterde nogmaals. Toen ik eenmaal uit gestuiterd was, probeerde ik een gat in de vloer te maken in de hoop dat de zitzak leeg zou lopen.

Ik had graag verteld hoe de zitzak vervolgens ineen kromp, en ik als overwinnaar naar buiten zou klauteren. Maar helaas was dat niet het geval. Ik zit er nog steeds. Gelukkig heeft mijn telefoon nog wel bereik. Maar lang zal dat niet duren: de batterij is bijna op. Via telefonisch contact, begreep ik van mijn zoon dat de zitzak inmiddels de grootte van een gemiddelde voetbalkantine heeft en dat de brandweer pogingen doet om hem klein te krijgen met stikstof. Dat lijkt de groei wel te doen stoppen. Een half uur geleden hebben ze een herdershond aan een kilometerslange kabel vastgemaakt en naar binnen gestuurd nadat ze hem aan mijn favoriete T-shirt hebben laten ruiken. Mijn hoop is op deze hond gevestigd, mijn telefoon is bijna op. Mijn vrouw hoefde me niet te spreken. Die vind al die aandacht eigenlijk maar onzin. Gelukkig heb ik een caravan gevonden met genoeg proviand voor een week of drie. Ik hou het nog wel even uit, als het moet. Via deze weg wilde ik even laten weten dat het goed met mij gaat. Tot snel, lieve vrienden!

2 responses

Laat een reactie achter bij Spencer Brandsen Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *