Zwevend

Het raam stond open. Mijn vrouw werd wakker omdat ze ineens niet meer onder een deken lag. Nu trek ik die wel vaker bij haar weg, maar nog niet eerder door de hoogte in te gaan. Ik hing halverwege ons bed en het plafond en had de deken meegenomen. Mijn vrouw probeerde mij naar beneden te drukken en op zich ging dat wel, maar zodra ze mij losliet, ging ik weer langzaanm omhoog. Ik probeerde mezelf naar beneden te trekken door me aan de matrasovertrek vast te houden en kwam in een vrij oncomfortabele houding te liggen met mijn hoofd en borst op ons bed en met mijn voeten de hoogte in.

‘Typisch weer iets voor jou’, zei mijn vrouw. Ik merkte enige ergernis in haar stem. Ze ging douchen. Terwijl zij de slaapkamer uit liep, liet ik ons matras weer los, zodat mijn lichaam weer in één rechte lijn kwam te hangen. Mijn zoon stommelde naar beneden en liep de badkamer in om te gaan plassen. Ik probeerde spartelend vooruit te komen. Echt snel ging het niet, maar vooruit kwam ik.

Toen mijn zoon klaar was met plassen, liep hij onder mij door. Ik riep hem. Hij draaide zich om en zag mij niet. ‘Hierboven’, zei ik. Hij keek. ‘Wat doe jij daar?’, zei hij. ‘Niks’, zei ik. Hij was even stil. ‘Wat voor weer wordt het?’, zei hij, ‘kan ik een korte broek aan?’ ‘Ik denk het wel’, zei ik. ‘Doe je je bril op?’

Met moeite kwam ik bij de kast, waar ik wat kleren uittrok. Daarna trok ik mijzelf langs de muren richting de kamer van mijn dochter om haar te wekken. Toen ze me zag, begon ze te glimlachen. ‘Kun je vliegen, papa?’, vroeg ze. ‘Ik wist ook niet dat ik het kon’, zei ik en vroeg of ze nog gedroomd had. Ze dacht na. ‘Volgens mij niet’, zei ze, terwijl ze haar ogen tot spleetjes kneep. Mijn vrouw stapte uit de badkamer, een handdoek om haar hoofd knopend.

‘Ik vind toch dat je naar de dokter moet.’ Ze hield haar hoofd schuin en draaide een wattenstaafje in haar oren.
‘Maar hoe moet ik daar naartoe?’
‘Daar valt vast iets op te bedenken.’ Ze liep door naar de slaapkamer en begon zich aan te kleden. De handdoeken liet ze op de grond vallen.
Mezelf voortrekkend aan deurposten, muren en trapleuningen, ging ik naar beneden. Onze kat liep met mij mee.

Beneden aangekomen zweefde ik nog steeds halverwege de vloer het plafond. Ik kon niet uitmaken of ik nu door het plafond werd aangetrokken of door de vloer werd afgestoten. Ik manoeuvreerde mezelf richting de keuken om de kraan aan te zetten, zodat onze kat eruit kon drinken. Daarna pakte ik de melk, boter en ham uit de koelkast. Uit de bestekla haalde ik een stuk touw, van het soort waarmee je rollades vastbindt. Nadat ik alle borden en beleg op tafel had gezet, probeerde ik mezelf in een stoel te krijgen. Toen dat gelukt was, kon ik, door mijn knieën tegen de onderkant van de tafel te drukken, mezelf min of meer op de juiste plek houden. Ik bond mezelf vast. Dat werkte. Kennelijk was de stoel zwaar genoeg om mij beneden te houden.

Terwijl we even later met z’n allen aan het ontbijt zaten, belde ik met de doktersassistente. Ik legde haar uit wat er aan de hand was. Over een uurtje kon ik langskomen.

We gingen eerst naar school. Mijn vrouw had mij aan een touwtje vastgemaakt en dat touwtje hield ze vast. Ik was nog even bang dat ik, zonder plafond, tot aan de rand van de atmosfeer zou stijgen, maar daar leek het niet op: het touwtje stond niet strak. Ik zweefde op ongeveer twee meter boven de grond.

Op school deed iedereen alsof het doodnormaal was dat ik twee meter boven de lucht zweefde. Toen we even later naar de Jumbo liepen om bananen te kopen, zag ik een andere zwevende man op straat. Hij werd voortgeduwd door een jongen van een jaar of veertien. In de Jumbo zag ik er nog een. Alleen. Zwevend boven de groente-afdeling. Hij ging vooruit door zwembewegingen te maken. Heel erg snel ging het niet, maar het zag er mooi uit. Ik vroeg mijn vrouw of ze al eerder had opgemerkt dat er zwevende mannen bestonden. ‘Nooit echt op gelet’, zei ze. Dat zie je vaker: pas als je het weet, gaat het je opvallen.

Ik probeerde het luchtzwemmen ook. Leek nergens naar. Het was meer spartelen. Geen enkele controle over de richting die ik opging.

De dokter onderzocht me. Los van het zweven, was ik kerngezond. Ze was bekend met het fenomeen. Zei dat de wetenschap er nog niet over eens was het zweven betekende. Het was relatief nieuw. Voor zover mijn dokter wist, kwam het enkel bij mannen voor. ‘Sommigen vermoeden dat het vluchtgedrag is’, zei ze. Ik had de indruk dat zij tot die sommigen behoorde. Ze vroeg of er onlangs nog iets gebeurd was. Iets waar ik moeite mee had te aanvaarden. ‘Dat ik vanochtend wakker werd en bleek te zweven’, grapte ik. De dokter keek me vermoeid aan. Ik zei snel dat ik het niet zou weten. Had ik onlangs nog iets aan mijn eetpatroon veranderd? Was ik gestopt met roken? Nee, zei ik, dat kon het allemaal niet zijn. Er waren nog geen medicijnen voor. ‘Zie het van de zonnige kant’, zei ze, ‘als je vanavond de kussens van de tuinstoelen haalt, trap je niet meer in de naaktslakken.’
‘Goed punt’, zei ik. Maar ik vond het helemaal geen goed punt, want ik haal ’s avonds eigenlijk nooit de kussens van de tuinstoelen.
Tot nu toe waren er trouwens geen gevallen bekend die langer dan een week duurde. Daarna zou het sporadisch kunnen terugkomen, maar het hoefde niet.
‘En mocht het nu langer duren, dan kun je natuurlijk altijd lood in je schoenen doen. Dan kun je altijd zeggen dat je ergens met lood in je schoenen naartoe gaat.’ Ze moest keihard lachen om deze grap. Zo hard dat ik me ongemakkelijk begon te voelen. Ineens stopte ze met lachen. ‘En nu opgerot’, zei ze.

We zwegen terwijl we naar huis liepen. Ik maakte wat borstcrawlbewegingen, maar had niet de indruk dat het werkte. Gek genoeg voelde ik me een stuk beter.

4 responses

  1. Grappig, ik heb jarenlang gedroomd dat ik kon zweven. Tot ik pillen van de psychiater kreeg. Sindsdien zweef ik nog maar zelden. En weet ik ook niet meer waarover ik moet schrijven.

  2. Ik droomde als kind vrij lang dat ik een arend was en vloog dan terug over plaatsen waar ik me vermaakt had.
    Bovendien kon ik mijn dromen sturen en werd derhalve nooit door nachtmerries geplaagd.
    Hoefde dus noot een psychiater/dokter
    Tegenwoordig is het dromen zo goed als voorbij.

  3. Lees ik net de nieuwste, en helaas ook laatste, roman van Robert Anker, komt daar ook een pasage voor waarin de hoofdpersoon zweeft. It’s in the air, heet dat.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *