Ruig

Op m’n vouwfietsje fietste ik richting Ruigoord. Ergens op de Noordzeeweg, vlak voor het stukje land waar de stadsnomaden hun caravans hebben staan, stond een grotere caravan met een glimmende, zwarte Mercedes ervoor. Een jongetje van een jaar of tien stond voor de Mercedes. Even later fietste hij naast me. Op het gras. Met een rode jerrycan in zijn hand. Ik glimlachte naar hem. Hij glimlachte terug. We naderden het stoplicht. Het stoplicht stond op rood, maar omdat er geen auto’s aankwamen, reed ik door. Het jongetje stopte. Toen ik aan de overkant was, zag ik dat het jongetje omkeerde en weer richting z’n caravan fietste. Zou hij iets hebben gewild? Wilde hij iets verkopen? Misschien wilde hij me wel bestelen. Was hij van plan om benzine over me heen te gooien en zou hij, met een aansteker in zijn hand, gaan dreigen me in de  fik te steken als ik al m’n geld niet zou geven.

Ik fietste door. Haalde iedereen in, behalve een ijsverkoper met dreadlocks. Ik vermoedde een motortje in zijn bakfiets. Ik zette mijn fiets neer in de slagschaduw van een grote, suizende windmolen.

Binnen had ik met P. en T. afgesproken. P. was de proeftijd van z’n nieuwe baan niet doorgekomen. T. was verraden op een congres. Hij zou dronken zijn geworden en zich hebben misdragen. Iemand had een boze brief naar zijn nieuwe baas geschreven. Er was niet aan wederhoor gedaan. Hij houdt er nu eenmaal van om mensen aan te raken. Niet iedereen kan daar even goed mee omgaan, maar hij kon het zich niet voorstellen dat hij te ver was gegaan. Dan had hij tijdens het congres wel iets te horen gekregen. Zijn collega’s hadden verteld dat hij zijn gebruikelijke zelf was geweest.

Het mooiste van Ruigoord is het contrast tussen de lieflijke dorpsnatuur en de gigantische schepen die boven het dijkje uitsteken. Samen met P. stond ik op de tweede verdieping van een hut. De zon was roodgloeiend en stond op het punt het water van het Noordzeekanaal te kussen.

Toen ik terugfietste stond het jongetje van de jerrycan, samen met zijn zusje en een hond op het fietspad. Het was een herdershond. Een vrij jonge herdershond, maar toch. Terwijl ik naderde, begonnen het jongetje en zijn zusje al tegen de hond te schreven. De herdershond spitste zijn oren en kwam op mij af. Ik hoopte maar dat ze zijn naam riepen, verstaan deed ik het niet. De kinderen begonnen harder te schreeuwen, ik begon harder te fietsen. Vroeger fietste ik soms kilometers om, om mee rennende honden te vermijden. Maar hier kon ik niet omheen, er was geen weg terug. Ik fietste harder en harder. De hond begon te blaffen. Zette grote ogen op. Kwam op me af. Hoog op de poten. De kinderen bleven schreeuwen en rende achter hun hond aan. Hij rende nu vlak naast me, bleef blaffen. Ik deed m’n best om ‘m geen kans te geven, perste nog wat laatste krachten uit m’n benen en hoorde ‘Hnnggnufgg’ uit m’n mond komen. Gevolgd door een ‘aahjnarh’. Ik had mezelf nog nooit zo gehoord, maar zo klink ik dus als ik in doodsnood verkeer.

Na een meter of 50 verloor de hond z’n interesse. Ik verminderde vaart, keek niet meer om en fietste verder, richting Station Sloterdijk. Mijn telefoon was op. Ik moest naar Zwolle en bleek niet meer te weten hoe ik de borden moest gebruiken.

2 responses

  1. Toen ik Ruigoord als keerpunt voor mijn hardlooprondje had, passeerde ik de golfclub Amsterdam aan de Bauduinlaan. Daar stonden wel ‘ns jongetjes uit de buurt langs de kant van de weg met emmers gevonden golfballen die ze te koop aanboden.

  2. Lafaard. Mijn 5 jarige dochter en ik scheppen er plezier in om elkaar voor lafaard uit te maken. Vanzelfsprekend geven wij ons nooit over.

Laat een reactie achter bij Rigo Reus Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *