In de Oren van een Kind – deel 2

“TREK MAAR AAN JE OREN!!” schreeuwde Rut zeven jaar geleden naar zijn zoon, “VINGERS IN JE NEUS!!”
“HAAHHAHAHA!!” lachte Stimmy, wild heen en weer dansend met zijn vingers in zijn neus.

Het zou Rut zijn grootste hit worden: “Het Grote Doe Maar Lekker Raar Lied, door Sjef de Haas Featuring Beat-Box Djie-Vie het Schaap”
Het nummer had alles wat een kinderlied fantastisch maakt: een schedeltrepanerende melodie, teksten vol domme doe-opdrachten die kinderen van vier én snapten, én leuk vonden, geschreeuwd naar ze door een schor konijn en een veels te hoog krijsend meisjeskoor. Het “beat-boxen” van Djie-Vie kwam live meer neer op door Gilles de la Tourette gesommeerde incantaties, maar ach, dat verdronk toch in het kabaal van toeters, xylofonen, house-beats en gegil.

Tegen kinderen moet je niet zingen; daar moet je tegen schrééuwen. Dat was één van de eerste lessen die Rut had geleerd. Dan konden de extroverte kinderen namelijk lekker meebrullen, en de verlegen kinderen onhoorbaar voor iedereen meemompelen. Iedereen gelukkig.
Het klinkt simpel, de formule van een kinderhit, maar er zijn toch nuances die een volwassen brein onmogelijk kan doorzien. Zo had Rut ooit eens het lied “Alle Papa’s zijn Stom” geschreven- een dijk van een knaller, maar Stimmy werd er té opgefokt van.
“ALLE PAPA’S ZIJN STOOOOOOMMMM!” had hij drie dagen naar Rut gegild. Als antwoord op alles. Een streep door dat lied, dus.

Stimmy was al die tijd zijn testpubliek geweest. Ooit als een grapje begonnen: Rut was oorspronkelijk een fatsoenlijke coverband keyboard-toetsenist (die ook gerust (wanneer nodig) de achtergrondzang voor zijn rekening nam), langzaam uit de bruiloftsmarkt geprijsd door hobbierende iPod-DJ’s. Werkloos en zich gek vervelend had hij op een dag zijn keyboard gebruikt om Stimmy te vermaken. Eén van de simpele stomme liedjes bleef plakken, en op een verjaardagsfeestje waar hij het voor de lol zat te spelen, had een nicht gezegd dat hij daar eens iets mee moest doen.
“Dat vinden kinderen fantastisch!”

Goed. Leurend met een demo-cd van kinderkoor tot kinderkoor, naar 10-jarige zangtalentjes en kerkverenigingen, kwam hij uiteindelijk uit bij campings met animatieteams. Muziek voor kinderdisco’s.
Zijn eerste muziekdeal was bij een oude boer, die elk jaar op het braakliggende deel van zijn terrein een camping organiseerde. Zaken gingen hem goed, dus had die boer een tweedehands party-tent gekocht, en voor vijftig euro zwart per avond mocht Rut daar als “Stoere Rut en zijn Wilde Keyboard” in een schier oneindig hangende hitte optreden voor een tiental schommelende kinderen, en wat vaders die gedwongen werden mee te dansen.
“Zijn jullie klaar voor een feestje,” had hij de eerste keer onhandig gemompeld door een krakende versterker, gevold door een scherpe fluit-toon van de microfoon die te dichtbij de luidspreker stond.

“ZIIJJNNN JUULLIIEEE KLAARRRR VOOORRR EEEN FEEEEEHEEEESSTJUUHHHHH??” riep hij twee jaar later op 120 decibel, diep zwetend en zwaaiend met zijn arm en gestrekte wijsvinger.
Alle twintig kinderen mompelden of riepen “Ja.”
“ENNN NU DE VADERRRRRRS EN DE MOEDERRRRRSSSS,” riep Rut, “ALLEMAAL MEEEEEEEEZWAAIUNNNNNNNN!!!”
Het waren gouden tijden. Hij tourde van camping naar camping in de zomer, en in de winter schreef hij zijn nieuwe hits, met de hulp van zijn zoon. Met zelfgemaakte vleugels, alsmaar hoger naar de zon. Daar kon toch niets aan misgaan?

2 responses

Laat een reactie achter bij Kippfest Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *