Robotseksdromen (Hoofdstuk XII)

Het geld vloog binnen. Deckard ging op tour: seksbeurzen, beurzen voor daten en singles (waar hij met veel bombarie een datingprofiel voor zijn pop presenteerde), hij had zelfs wielen op pop nummer Twee gezet zodat hij het ding op een autobeurs kon presenteren. “De auto waar je niet alleen seks mee hebt, maar ook een relatie,” was de slogan, in een font wat doet alsof het handgeschreven is.
Deckard kwam in de krant, in televisieprogramma’s. Vooral met de laatste twee had Juliette moeite. Natuurlijk werden in de interviews ook vragen gesteld over het gillen van de pop: Deckard reageerde net zo klungelig, en de reactie van de interviewers was een, niet eens echt, maar puur metaforisch schouderophalen.
“Het is maar een pop,” zag je in hun ogen. Ach waarom niet.

Juliette wist dat ze dit ook moest denken, maar ze kon het niet. Voor haar ging het er niet om of het een pop was of niet, voor haar ging het om de gedachte: waren er echt zoveel mensen met de behoefte iets te misbruiken?
Wanneer het de bedoeling is, wordt misbruiken gebruiken, had Deckard gezegd. Maar wie bepaald dat?

Ze schoof een stuk kipfilet op het bord van Deckard, de kinderen en haarzelf. Een massaal uitstervende biomassa, dacht Juliette, gemarteld en tot banale worst gedraaid in slachtfabrieken, en de mensheid lijkt het “leuk” om buitenaardse levensvormen te ontdekken. Als Juliette de mensheid was, had ze zich heel stilletjes verstopt in een uithoek van het universum, dacht zij. Maar ja.

“Ik ga van je scheiden,” zei Deckard, “Ik wil nu samenleven met mijn ware liefde: mijn seksrobot.”
Juliette knikte. Ze at haar kip op, drong bij de kinderen aan dat ze ook hun erwtjes zouden opeten. Anders geen toetje.

Na het toetje stond Deckard op, pakte de robot op van de stoel naast hem (waar hij altijd mocht zitten) en verdween uit de deur.
Juliette knikte, zei: “Tijd voor bed.”, legde haar kinderen op bed, sloot zichzelf op in haar slaapkamer en begon te huilen tegen het schreeuwen aan.

Het klonk alsof haar lach in stukken werd gescheurd. Lachen en huilen, het ligt dicht bij elkaar. Misschien was ze ook wel aan het lachen, van opluchting. Een bevalling van ellende. Juliette was twaalf jaar zwanger geweest van liefde, en nu was de tijd gekomen om te baren: van naar het bleek een koude dode steenvrucht, volledig vastgegroeid aan haar ingewanden. Met elke wee brak er iets los- niet van de vrucht, maar van die ingewanden. Baren en weten dat de zwangerschap zinloos was. Baren en weten dat je al die tijd van iets doods hebt gehouden wat nu probeert haar te vermoorden. Letterlijk verscheurd door Verdriet. Een half leven weggepist, zo verwerkt.

Haar pijn kwam in golven, met pauzes van onverschilligheid. En na had Deckard weer gebeld: hij wilde haar spreken. Ze was sterk genoeg om hem niet thuis te laten komen, maar sprak af in een honden-uitlaat-bos, op een grote grasvlakte waar ze vroeger weleens kwamen om te picknicken. Totdat het bos een honden-uitlaat-bos werd, dan.

“Ik ben teruggekomen,” zei hij kalm en zakelijk, “En jij weet waarom. Omdat ik nú weet wat echte liefde betekent, Juliette.”
Juliette keek hem aan. Hem, en die robot onder zijn arm. Een deken eroverheen om het te beschermen tegen de regen die alweer aan het vallen was. Alleen de robotvoeten staken uit.

In de verte rommelde het onweer.
“Sta mij toe het uit te leggen, Juliette. Ik hou van robotten. Ja. Dat klopt. Er is NIETS wat ik liever wil dan seks hebben met een robot. Er is niets aantrekkelijker. NIETS. Niets anders IS aantrekkelijk. Een homo valt ook niet “ook een beetje” op vrouwen. Een homo valt op mannen. Punt. Ik val op robots. Niet op jou. Ik vind je walgelijk,” zei hij dat laatste op een bijna verontschuldigende toon, zijn handen geduld manend, een uitleg zou heus komen: “… Maar Juliette, is dat nu niet juist wat liefde is?”

Juliette werd natter van de toenemende regendruppels. Ze wilde hier niet staan.
“Heb ik ooit moeten kokhalzen, Juliette? Toen wij seks hadden? Geloof me dat ik het wilde. Geloof me dat er niets is wat ik ranziger vind dan seks hebben met jou. Kijk: neem een broodrooster. Ik vind een broodrooster aantrekkelijk. Zie die metalen, rechte gleuf voor je. Met die mooie afgeronde hoeken. Een mooi veringsmechanisme om dat brood- hop! Eruit te floppen. En kijk nu eens naar jouw gleuf, Juliette. Kijk nou. Mislukte vleesput. Moet ik dat mooi vinden? Als je weet dat ik een broodrooster sexy vind, wat moet ik van jou en die kut dan vinden?”

Hij pakte haar bij de schouders: “…Maar ik heb seks met je gehad, Juliette. Minstens twee keer. We hebben twee kinderen dus daar ga ik maar van uit. Ik kan me niets herinneren. Alles verblokt. Als ik naar die kinderen kijk en daardoor weet dat ik seks met je gehad zou moeten hebben dan draait mijn maag om. Ik haat die kinderen daardoor. Maar ik doe, ondanks dat alles, ondanks al die haat en walging, wél alsof ik van jullie allemaal houdt. Dat is toch mooi? Dat is toch juist de meest pure vorm van liefde?”

Hij greep haar bij de hand en kneep erin.
“Laten we naar huis gaan, Juliette. Ik zal zelfs seks met je proberen te hebben. En doen alsof ik niet hoef te kokhalzen. Ik beloof het, Juliette.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *