De geschiedenis van mijn racisme (2)

Ik groeide op in een dorp waar je een paar Marokkanen had en een enkele Surinamer. Hun ouders werkten in de botverwerkingsfabriek even verderop. De stinkfabriek in de volksmond. Niet omdat er buitenlanders werkten, maar omdat de fabriek een niet te harden stank produceerde die ons hele dorp teisterde als de wind uit het westen kwam.

Toen ik zes was, heb ik een keer een Marokkaans jongetje dat een klas hoger zat dan ik voor vieze Turk uitgescholden. Ik wist dat het geen Turk was, maar een Marokkaan, toch schold ik hem uit voor vieze Turk. Dat vond ik onvergeeflijk van mezelf.

Naast een Surinaams meisje dat een keer moest nablijven omdat ze ‘neuken!’ had geschreeuwd op het schoolplein, was het Marokkaanse jongetje de enige buitenlander die wij op school hadden. Toen ik in de derde klas zat, zat hij in klas vier en hadden wij een meester met een grote snor die de pik op hem had. Hoewel lijfstraffen verboden waren, werd het Marokkaanse jongetje om de zoveel tijd aan zijn oren naar buiten gesleurd. Wat met het nodige geschreeuw gepaard ging. Achter zijn rug om noemden we onze meester racist. En lijmsnuiver. Dit omdat hij altijd stiekem aan de tubes hobbylijm snoof waarmee wij onze papieren kraankikkers en kartonnen scheepskamelen aan elkaar plakten. Terwijl wij diep geconcentreerd over onze rekensommetjes gebogen zaten, hield hij zo’n tube onder zijn neus en kneep hij er zachtjes in zodat de lijmlucht in zijn neus stoof om zijn racistische brein te verkleinen.

Hij had een oude BMW-zijspan uit het Duitse leger. Oftewel: onze racistische meester reed op een nazi-motor.

Verder mocht ik hem wel.

5 responses

  1. ik heb nog een meester gehad die sigaretten rookte in de klas, zo half bij het raam staand. Bij een BMW- tweespan weet ik ook niet precies wat er bedoeld is, maar dat kan aan mij liggen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *