Last Christmas (1/3)

Hoewel het de gezichten leken van de fans die het vroegen, was het vooral Andrew Ridgely zelf die bezeten was van de vraag: wat was nou precies zijn rol in Wham!?
Of, zoals hij het liever stelde: wat DEED hij in Godsnaam in Wham!?

Andrew spendeerde veel van zijn huidige tijd met bijna meditatief nadenken over een antwoord. Zittend op zijn bank, kaarsrecht, met zijn handen op zijn knieën. Urenlang.
Zijn enige beweging bestond uit het om de zoveel tijd knipperen van zijn ogen. Wat had hij gedaan in dat duo?
Hij kon zelfs niet naar de buitenwereld doen alsof hij een antwoord wist.
Als hij boodschappen deed, en iemand hem herkende, dan was er altijd een lichte variatie op dit moment: het bijten op de lip, het fronsen van de wenkbrauwen. Het knagen van de vraag: kan ik dit vragen? En ja. Dat kon. Vonden zij.
“… Sorry… Maar Wham! he… Wat deed u nu eigenlijk precies? Ik probeer altijd te… Maar… Nou ja het is moeilijk! Haha!”
Andrew knikte dan meelevend. Het was zeker moeilijk.
“Gitaar spelen?” opperde hij dan, zijn wenkbrauwen optrekkend. De vrager keek hem dan steevast glazig aan.
“…Op welke plaat is er een gitaar dan?” vroeg de vrager. Andrew had geen idee.
“Soms ook de hoorns,” zei hij dan maar, waarop de vrager knikte en bijna hoorbaar krakend zat te denken over enige platen waar dan hoorns te horen zouden moeten zijn. Andrew had ook daar geen idee. De afleidingsmanoeuvre gaf hem in elk geval de tijd vriendelijk te knikken en snel weer door te lopen naar de zuivelafdeling.

Eigenlijk het enige wat hij wist te herinneren was dat hij lol had gehad. Gehad zou moeten hebben, verbeterde hij zichzelf dan. Hij had het grootste gedeelte van de jaren 80 knetterstrak gestaan van de coke. Dat was nog het ergste: misschien had hij wel een rol gehad in Wham!- maar hij kon zich niets concreets herinneren.

Volgens zijn wikipedia pagina was hij een “Singer/songwriter”. Hij zou een solo album hebben uitgebracht in 1990, waar hij logischerwijs destengevolgend IETS op had moeten doen- maar wat het ook was, het resultaat was bedroevend geweest. Het slechtst beoordeeld album van het jaar, met bizar slechte verkopen. Zelfs Andrew had geen exemplaar. Hij was vergeten er één te vragen bij het ten perse gaan, en kon geen enkel exemplaar ooit in een winkel vinden. Niemand wilde het verkopen.
Het zou het meest zeldzame album ter wereld moeten zijn- maar zelfs in die hoedanigheid interesseerde het niemand wat.

Acteren had hij geprobeerd, zelfs formule 3 racen. Alles geflopt. Het enige succesvolle wat hij ooit gedaan had was Wham! en hij wist niet eens of hij daar überhaupt een echte rol in had gehad.
Uren had hij besteed met luisteren naar de platen, met kijken naar de videoclips. Daar, in “Wake me up before you go-go”, daar zag hij- geloofde hij- zichzelf saxofoon spelen. Maar tussen twee anderen. En hij hoorde maar één saxofoon. En in de clip leek het ook of hij maar wat deed. Nou ja. Het leek alsof hij in elk geval lol aan het hebben was.

Jaren terug, toen dit mysterie hem nog echt radeloos van frustratie maakte, was hij zelfs terug naar de studio gegaan. Zogenaamd voor zomaar een koffie, “gezellig bijbabbelen” met de sound engineer.
“Zo,” zei hij dus, slurpend aan zijn koffie, “Wat deed ik eigenlijk ook alweer?”
“Hahaha, oh Andrew,” lachte de engineer dan, hem tegen zijn schouder slaand, waardoor iets van de koffie over het randje klotste en op Andrew zijn witte broek terecht kwam. Andrew vertrok geen spier.
“Al die drugs ook he! Welke plaat bedoel je?”
Andrew knipperde wat met zijn ogen.
“Die… ene.”
Hij haalde zijn schouders op.
“Je weet wel.”
Hij haalde nogmaals zijn schouders op, ditmaal met alle intentie zijn lichaamstaal “Wat dan ook” te laten schreeuwen.
De sound engineer zijn glimlach bleef half plakken, terwijl zijn ogen in de verte gingen staren.
“Nee?”
De engineer begon weer hardop te lachen. Andrew lachte mee.
“Drugs!” zei Andrew lachend. De sound engineer sloeg hem weer hard tegen zijn schouder, waardoor weer een scheut koffie over de rand op zijn broek landde.
Zijn best nieuwe broek.

“Jajajaja, die drugs. Man wat een tijd,” zuchtte de sound engineer, “Die tijd komt nooit meer terug. Het is nu allemaal zóóó professioneel he. Ja… Tsja. Wat deed je eigenlijk?”
“Ja,” beaamde Andrew. Hij bleef hem vragend aankijken.
De sound engineer dacht hard na.
“Deed jij niet… Was jij niet… Last Christmas,” porde hij Andrew tegen zijn schouder. Dit keer klotste er niets van zijn koffie over de rand, omdat het grootste gedeelte al in zijn broek zat.
“Last Christmas. Daar deed jij geloof ik… Die… Sneeuwklokjes? Of die bellen? Het klonk er allemaal heel kerstmisserig van. Mooi gedaan,” klopte hij Andrew tegen zijn schouder.
“Wat een tijd,” verzuchtte hij.
Andrew knikte.

De rit naar huis en de eerste twee uur daar voelde hij zich beledigd. Gekwetst bijna. Maar ja, die bellen voegden wel wat toe aan de plaat. Het klonk er inderdaad heel kerstmisserig van. Wat een vondst!

Na nog eens twee uur was hij zelfs oprecht blij, wat de periode van zijn leven inluidde die hij “De Goeie Periode van zijn Leven” noemde. Die duurde drie maanden. Op het laatste moment van die periode was hij zo enthousiast geweest, dat hij had besloten een solo kerstalbum op te nemen. Een glorieuze comeback. Opgeleefd door het idee wilde hij alvast wat oefenen met kerstbellen te spelen.

De eerste ontnuchterende ontdekking was dat je kerstbellen niet echt kán spelen: er komt maar één geluid uit. De tweede ontnuchterende ontdekking was dat hij niet in staat was dat ene geluid op wat voor maat dan ook te spelen. Het voelde niet alsof hij was vergeten hoe het te doen: het voelde alsof hij nog nooit kerstbellen in zijn handen had gehad. Hij had zelfs ontdekt dat hij compleet a-rhytmisch was.

De derde, en laatste ontnuchterende ontdekking kwam terwijl hij gefrustreerd met zijn bellen zat te oefenen, en zijn tienerzoon uit irritatie keihard Metallica had opgezet om het geklingel te overstemmen.
Andrew hoorde de belletjes over Master of Puppets heen, en merkte dat het nummer gelijk als een kerstplaat klonk. Andrew had- als hij die dingen al had gehanteerd op Last Christmas- niks bijgedragen aan het kerstgevoel van die plaat. Elk willekeurig geklingelklungel van die teringdingen liet alles tot een kerstplaat klinken.

Dat had pijn gedaan, toen. Nu, vele jaren later, was de echte frustratie vervangen door een existentiële nieuwsgierigheid. Eigenlijk was alles vervangen door die nieuwsgierigheid: het enige wat hij wist dat hij was, was de vraag wat hij was.

En deze dag, terwijl hij zo kaarsrecht op zijn bank zat, met zijn handen op zijn knieën, knipperde hij weer eens met zijn ogen.
Het was tijd om eindelijk te beseffen dat als hij echt het antwoord wilde weten er nog maar één optie was: Hem bellen.

2 responses

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *