De ontdekking van de matrix (11)

Sven speelde met een pakje blauwe Gauloises. “Mag ik een sigaret”, vroeg ik hem. “Je bent de vierde al vanavond”, zei hij. “Maar geen nood, ik heb nog een pakje.” We gingen samen naar buiten. Daar stond de zoon van de eigenares te praten met een andere man. Kaal. En een lichaam dat te groot was voor zichzelf. Het trok wat krom. Zijn gezicht zag eruit als een gesmolten kaars.

De man was machinist. Hij foeterde op de reiziger, die geen geduld meer had. Altijd maar zeiken. Ik voelde mij geroepen hier wat tegenin te brengen. Wie veel reist, wordt gek van de NS. Vooral als het personeel je klachten met schouderophalen beantwoordt.

“O ja?”, zei de man, “en als er dan iemand naar me toekomt die begint te zeiken over z’n afspraak die hij nu moet missen, dan zeg ik, bel maar naar de ouders van die jongen om te vragen of ze zijn hersens van de trein willen komen peuteren.”

Ik nam een trekje van m’n sigaret. De nicotine verspreidde zich door mijn lichaam.

“In Den Haag heb je een tunnel waar de meeste zelfmoorden per jaar worden gepleegd”, zei Sven. “Ik zou het zelf nooit zo doen. Ik zou een overdosis slaappillen nemen en een fles wodka leegdrinken.”

“Ik heb het nooit gezien”, zei de machinist. “Maar ik ben bang dat er dit jaar niet aan zal ontkomen.”

Ik vertelde over Ben die een aantal jaren in een psychiatrische inrichting had gewoond waarvan het landgoed aan een spoorweg grensde. Hij overwoog geregeld om er een einde aan te maken. Dan wandelde hij naar het spoor. Maar door de wandeling knapte hij op en zag hij ervan af.

One response

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *