Naar het einde van het universum en terug

De reis ging naar het einde van het universum. We begonnen op aarde, gingen naar Mars, namen een kijkje bij de zon, vlogen langs Jupiter en Saturnus. Pluto sloegen we over, tot groot verdriet van mijn dochter. We doorkruisten de Melkweg. Het was op dit punt dat wij voor het eerst te horen kregen dat de zon maar een onbeduidende ster is. Een van de miljoenmiljard. Een druppel in een oceaan van sterrenstelsels. Onze zon stelde niks voor. We bevonden ons hier in een nietszeggende uithoek in het universum. We moesten ons vooral niks verbeelden. De stem stelde ons voor aan sterrennevels en tweelingsterren, blauwe dwergen, rode reuzen en zwarte gaten.
 
We vlogen de Melkweg uit. Door het grote niets. Totdat we bij nieuwe sterrenstelsels kwamen. De stem vertelde hoeveel sterrenstelsels er als de Melkweg zijn. En dat al die sterrenstelsels net als de Melkweg uit een miljoenmiljard sterren bestaan. We gingen verder en kwamen aan bij de rand van het heelal, waar je in de oersoep kunt roeren. Het licht doet er zoveel miljard jaar over om naar hier te komen.
 
De camera begon zijn reis terug. Beetje bij beetje, totdat we weer in ons eigen zonnestelsel waren. In een willekeurige uithoek van het universum. Met die onbeduidende zon van ons. Ik kreeg behoefte aan een god.
 
Even later liep ik met mijn dochter door de vlindertuin. Twee vlinders van zwart-blauw zijden dartelden om ons heen. Een zwart-oranje vlinder zat met zijn neus in een stuk sinaasappel. De vleugels gingen op en neer, op het ritme van onze ademhaling. Bij buitenkomst gleden de zeehonden langs de glazen wanden. Mijn dochter drukte haar neus er tegenaan. Er zat iets hypnotiserends in het glijden van de dieren. Ze hadden allemaal hetzelfde tempo, gingen kriskras door elkaar heen, zonder tegen elkaar aan te botsen. Hun ogen gesloten, zich onbewust van onze nietigheid.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *