Schutterij

Ik heb mijn oom beloofd om eens niet over drank te schrijven en dat is natuurlijk geen enkel probleem. Hoewel. Ik wil uitgerekend vandaag vertellen van de roemruchte schutterij Sint Sebastianus uit Heel, waar ik onlangs lid van werd. Heel, gelegen tussen Weert en Roermond, parel van Midden-Limburg en vanwege de voormalige grindwinning omgeven door meer water dan de Friese meren. Het is het dorp waar ik een groot deel van mijn leven doorbracht voor ik mij in Antwerpen vestigde.
Geen mistroostige dan wel vrolijke drankverhalen vandaag dus. Een hele kunst, want het schutterswezen is bij wijlen een dorstige onderneming. Lap, daar ga ik al. Kalm blijven Luijten, er is genoeg over de schutterij te vertellen dat niet aan schuimend gerstenat gerelateerd is.
Cultuurhistorie bijvoorbeeld. Het idee achter de schuttersgilden is eeuwenoud (de Nachtwacht van Rembrandt verbeeldt eigenlijk de Amsterdamse schutterij) en tot op de dag van vandaag vindt men schutterijen door heel Europa. Allen schieten elk jaar met geweer of (kruis-)boog ‘op de vogel’ en degene die het vermaledijde ding naar beneden haalt mag zich koning noemen. Hij of zij wordt omhangen met zilveren platen, bekroond met een dito vogeltje. Dat kan een behoorlijke knaap zijn overigens, ik zag ooit een Pool waar ze het ding bijna met vier man moesten vasthouden.
De uniformering is voorts alles tussen militair en regelrecht clownesk. Een bonte storm van jagersgroen en Pruisisch blauw slingert zich dus regelmatig en optochtgewijs door het oude continent. Maar alle vergelijkingen houden op bij de uitdossing. Het enige dat hun daarbuiten bindt is het bier. Verdomme, het is toch moeilijker dan ik dacht. Enfin.
Het marcheren ging mij nog goed af. Dat hebben ze mij er bij de Antwerpse politiekapel (inderdaad, ik ben louter lid van roemruchte clubs) wel ingeranseld. Maar dat schieten. In Limburg gaat dat op piepkleine bolletjes – die eigenlijk vierkant zijn – en die zich in een raamwerk op een paal van negen meter hoogte bevinden, al dan niet voorzien van een kogelvanger. Met een buks van twintig kilo en een kaliber van achttien millimeter lijkt dat schieten een koud kunstje, kanon op een mug, zoiets. Maar ze zijn zó miniscuul, die bolletjes. Door het vizier hebben ze wat weg van lucifers. Maar dan kleiner.
Hoe dan ook. Zo stond ik de eerste keer ‘onder de buks’. Het was bloedheet en ik had euhm.. geen dorst die dag. Echt niet. Kopje chocomel en een warme wafel, u kent me. Aan het eind van een lange middag in de brandende zon was het eindelijk mijn beurt. De besten mogen eerst, dus veel verknoeien kon ik niet. Met een trefzekere nonchalance legde ik aan. Ik mocht de vereniging dan weinig kwaad kunnen berokkenen, mijn eigen woeste verhalen in de bier..euhm..tent waar tegen redelijke prijzen versnaperingen te krijgen zijn, moesten wel met drie vlot gebrachte punten bewaarheid worden.
De eerste vloog over de kogelvanger en plonste ver weg in het water. Ver weg van ons, heet dat. Het was dichter bij een Duitser die er met zijn bootje lag te spelevaren. De man moet het niet gemerkt hebben, want met één telefoontje had hij het hele feest kunnen stilleggen. Goed bezig, Luijten.
De tweede was raak. In het rijtje bij de schutterij naast ons, welteverstaan. Die konden daardoor niet verder schieten en moesten wachten tot hun raamwerk vervangen werd. Hun dank zal vast groot en voor eeuwig zijn. De derde was gelukkig ‘gewoon mis’, zonder verder onheil aan te richten.
Als u dit leest, heeft de schutterij Sint Sebastianus uit Heel misschien het Oud Limburgs Schuttersfeest gewonnen, het hoogst haalbare, een walhalla voor Limburgse schutterijen. Maar zonder mijn actieve bijdrage. Volgende week schrijf ik weer gewoon over drank.
Verdomme.

4 responses

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *