Incident

Ik heb een bloedhekel aan telefoneren, doe dat derhalve zo weinig mogelijk en dan nog met de grootst denkbare weerzin. Mijn smartdinges staat altijd af, slechts hoogstzelden schakel ik het geluid in. Als er iets met mne kleine is of zo. Wat mij die avond bezielde weet ik dus werkelijk niet.

Ik zat met mijn bastuba op het podium, voor een zeldzame keer met een symfonieorkest en voelde een zoem in mijn binnenzak. ‘Nee hè, het zal toch niet..!?’ bliksemde 20.000 volt door mijn gestel. Vier keer zoemen, en dan begint een luid ‘Ute Schnute Casimir’ te schetteren. Kán het beginnen te schetteren, als ik hem niet afzet. Milliseconden van existentiële twijfel. Tweede zoem. Ik wil niet beweren dat mijn hele leven zich naar deze podiumervaring toe had bewogen, maar ik keek er wel al weken naar uit. Bovendien was het orkest net begonnen aan de fluweelzachte zachte ‘Prélude à l’apres midi d’un faune’ Debussy. Derde zoem. Ik rukte het toestel uit mijn zak en veegde hem open.

Paniek is het woord, in de blinde vorm welteverstaan. Tussen de derde en vierde zoem probeerde ik het geluid af te zetten. In plaats daarvan trilden mijn vingers naar de button die de ringtone afspeelt. Een luid ‘Ute Schnute Kasimir’ doorsneed een hoornsolo.

Ik vond mijzelf terug in de coulissen en het leek of er een half uur uit mijn leven was weggevaagd. In een waas zag ik mij omringd door tien heiligenbeelden, die mij boosaardig aanstaarden. Het waren dezelfde als die ene die bij mijn grootmoeder in de woonkamer stond opgesteld, en ze wezen mij met gestrekte arm buiten. Ik kalmeerde wat en de rilling nam af. Het half uur bleek een paar seconden. Volgens de klok aan de muur dan, mijn telefoon durfde ik niet meer aan te raken.

‘Niemand heeft het gehoord’ herhaalde ik op de muziek van Debussy, als in een mantra. Ik keek naar de trombonist die op het podium naast mij zat, maar die beantwoordde mijn blik met onverschilligheid. Het is dan ook niet vreemd dat een tubaïst het podium verlaat als hij niet hoeft te spelen. Al moet dat bij voorkeur tussendoor niet tijdens een stuk. Indien mogelijk onzichtbaar. Of tenminste met beheerste waardigheid. Ik ben niet bepaald een slangenmens, had ik gebonkt op de holle podiumdelen? ‘Niemand heeft het gehoord’, herhaalde ik weer zuchtend. Debussy laat zich goed dichten, stelde ik bij wijze van schrale troost vast.

Applaus klaterde, muzikanten stonden op en ik glipte naar mijn stoel. Het concert vorderde en ik toederde tegen beter weten in. Staande ovatie aan het eind. De dirigent kwam tot twee keer toe terug op en tijdens het passeren klopte hij mij op de schouder. Was het vermanend? Bestraffend? Of meer van ‘stoute jongen’?

Ik pakte mijn instrument in, en met lood in mijn schoenen sleepte ik mij met mijn laatste krachten naar de trombonist die mij geëngageerd had. Wat gemeenplaatsen, schouderklop, een formele handdruk. Ik wilde al dansend wegvluchten, toen hij mij halvelings nariep:

‘Seg, wat was er daarjust op dat podium? Wij zouden toch blijven zitten?’

Hij vroeg wat er was. Had hij het nu wel of niet gehoord.

‘Kramp in het been’, antwoordde mijn mond in mijn plaats.

‘Zeer verstandig’, zei hij. ‘Tot de volgende!’

Tot de volgende. In de auto bedacht ik dat ik onbeschaamd veel geluk had gehad en bedankte alle mij bekende goden. Ik begon zelfs goden te verzinnen, om er zeker genoeg te loven en prijzen. Al kan ik nu nooit meer naar Debussy luisteren zonder dat er een ringtone doorheen zaagt.

Mijn verdiende loon.

Ute Schnute Kasimir

Prélude à l’apres midi d’un faune – Debussy

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *