De Man met een Piemel Als Neus: deel 9

IX

DE NIEUWE SEKS

Niets schijnt enger te zijn dan wat je zelf niet eens kan voorstellen. Na een half uur opgetuigd te zijn en onderworpen aan dimensieloze beestachtigheden was Keesfan het daar mee eens: hij had het net meegemaakt en nog kon hij het zich nog niet eens voorstellen. Laat staan uitleggen. Een otter, een plastic schep voor in de zandbak en een stoompers. Hoe leg je dat nou weer uit? Laat de lezer het zelf maar proberen, als het zo simpel is.

Je kan alleen uitleggen wat je begrijpt, dus zodra je het uitlegt weet je dat het eigenlijk niet begrepen kan hebben.
En hield het daar maar mee op. Want wat is nog ergers dan wat jij je niet kan voorstellen?

Niets. Dat zei Keesfan toch net?

Maar wel als het meer van dat is. Of als het wel een soort van een idee geeft, maar net niet helemaal. Bijvoorbeeld, Keesfan zou kunnen wijzen naar gynaecologen, die gedurende hun carrière zoveel misvormde smerige vagina’s zien dat ze erdoor afgestompt van raken. Ze vinden vagina’s na een tijdje gewoon kut, zou Keesfan grinnikend hebben kunnen grappen, als niet alle lol uit zijn ziel was gezogen. Hij heeft in een half uur meer onheilig werk uit Snikkelien haar foef gezien dan had hij een onsterfelijke gynaecoloog geweest, vastgeketend in een bejaardenhuis vol knoflookverslaafde demente waterbuffels met decennia lang ingewerkte chronische geslachtsziekten.

Hij heeft Snikkelien dingen met haar boemboems zien doen (dat draaien T_T) waardoor hij nu alleen maar alle boemboems van de planeet keihard wilde slaan en in een put stoppen om later hun huiden als een jas te dragen.
Zijn eigen piemel zou hij het liefst er af willen bijten- tot hij beseft dat dit echt mogelijk is, door de nieuwe plaats van dat ding. Daarna schiet het vervolgens bijna zijn neusholte in omdat hij zo intens opgewonden raakt van dat idee.
En dan, wanneer hij beseft dat het daardoor niet meer mogelijk is, wordt het ding weer kneiterhard. Terwijl het groeit hapt Keesfan er meermaals naar, maar de gedachte zijn pik niet te kunnen eten laat hem te snel hard worden. En de gedachte zijn geslachtsdeel wèl te kunnen eten- te hard te zacht.

Dan begint hij te huilen.

Het huilen zal zijn als de zonsondergang- een zich herhalend iets, na de langste dag telkenmale een langere duisternis inluidend, het steeds diepere donker van een steeds sterrenlozere nacht.
En bij het vertrek van licht, van het pure goede, ontwaakt zijn piemel. Zichtbare aderen lopen vol met bloed, zwellichamen spannen zich als het machtige lichaam op een lichaam (nou ja nu zijn gezicht) oprijst uit het woud van schaamhaar, klaar om alles wat ooit seksueel heilig was nu te vernietigen.

Tranen mengen zich met voorvocht. Zijn gezicht trekt net zo onwillekeurig samen als het manische geslachtsdeel op zijn hoofd. Soms eet hij een boterham, en vliegen beelden door zijn hoofd- een kortsluiting, een andere werkelijkheid- en twee minuten staat hij naakt in de hoek van de keuken, een zeiknatte boterham gespietst om zijn nog altijd kloppende dingdong. Wat was er gebeurd? Wie heeft er de controle? Is dat er überhaupt wel?

12

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *