Barbecue

Ik ben niet zo van het cremeren van vlees in de buitenlucht, onder ongemakkelijke omstandigheden op een te laag kolenvuur. Sterker: de huidige foodie-rage gaat compleet aan me voorbij. Maar of het nu door de wekenlange aaneenschakeling van druilbuien en hagelstormen kwam: ineens verlangde ik vurig naar een barbecue. Een gewone dan, niet zo’n ding dat op een stoommachine lijkt en met sandelhout gestookt moet. Zo een waarmee je behalve een lapje wagyu langzaam dichtschroeien, ook nog kan palingroken en de luchtdruk voorspellen. Of misschien zelfs beïnvloeden, wie zegt het. Nee, een ordinaire nep-weber, waarvan het rooster altijd scheef ligt volstaat ruimschoots.

Ik kreeg een visioen uit een ver verleden, toen alles nog goed was. Toen de Britten nog gewoon al kankerend in de EU zaten, de Belgen zich nog ouderwets door een groot toernooi worstelden om uiteindelijk door een amechtig hijgende voetbaldwerg met 3-1 buiten te worden gekegeld (o nee, dat is wel actueel, excuseer). Enfin, toen de kletspraat van tooghangers nog tot een vierkante meter rond hen beperkt bleef en het café zelden verliet, in plaats van bijval van duizenden al even grote lomperiken op Facebook, én dat je nog gewoon in de auto kon denken van: ‘hé, vanavond misschien barbecueën’, zonder dat dit eindigde in een waterballet met sissende houtskool en jammerende kinderen op de achtergrond.

Dat heerlijk zitten in de milde avondzon. Geluiden in de omgeving verstillen, alleen ver weg blaft een hond. Geur van zachtjes tinkelende houtskool vermengt zich met die van de lavendel in de border. Een plop van een goed gekoelde rosé, de tsjj van een licht-zurige Rodenbach, geklok, een innige blik van verstandhouding bij wijze van toast en de veilige wetenschap dat het halve continent op dit ogenblik hetzelfde doet.

Zo’n moment dat je zou willen vasthouden. Voor eeuwig, in plaats van twee glazen. Vooruit; drie. Ok, nog eentje, maar dan beginnen we écht. Wie pakt het vlees uit de koelkast? Neem meteen nog een biertje mee. Ok, schenk jij nog een rosétje in? Tuurlik schat.

Daar, precies daar ligt de ommekeer. Dat het ‘gewoon eten’ wordt. Qua gevoel vergelijkbaar met een Brexit: vooraf verwacht je niet het allerergste, maar uiteindelijk moet iemand het plakkerige vlees toch op de rooster leggen. En in de -nee het duurt nog wel even, geef mij nog maar een biertje- gaten houden. En lostrekken. Vloekend. Gelukkig is er genoeg saus. Huzarensalade? Geeft niet, geef maar wat stokbrood dan. Nee echt, het is lekker hoor.

Dit alles overdenkend, krijg ik spontaan zin in een pak frieten. Of pizza, dat kan ook. Döner, pita, shoarma, Ćevapčići, shushi, halve hanen.

Ik steek er wel wat houtskool bij aan.

10 responses

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *