Reünie

Eindeloos. Zo leek de dijk vroeger. Net buiten de bebouwde kom doemde hij op. Een stevige helling tussen twee grote plassen van de grindwinning. Meren, zeeën eigenlijk. Een grote kale vlakte alleszins, waar het altijd wind in beuken was. Een pastel met veel modderbruin en loodgrijs, zo herinner ik me dat vermaledijde stuk weg. En nat. Ik voel de regen nog in mijn gezicht kletsen. Als getormenteerde puber op weg naar een school waar ik liever niet wilde zijn, bevolkt door mensen die ik liever niet wilde kennen, dingen lerend die ik liever niet wilde weten. De Adrian Mole van de koude grond. Ik berustte in het noodzakelijke kwaad en fietste. Wind in, altijd wind in.

Op weg naar een reünie kom er nu weer langs en zie dat de fietsenmaker die vroeger aan het einde van het dorp zat, er niet meer is. Van zijn winkel is een huis gemaakt. Het golfplatendak behielden ze wel. Zuinigheid met vlijt. Het móet familie zijn.

Een reünie? Dé reünie. Ik weet dat ik veranderd ben, belachelijke vaststelling, wie niet? Tegen beter weten in stel ik me iedereen voor zoals ze er dertig jaar geleden uitzagen, maar hoe zouden ze er écht uitzien? Je hebt mensen die goed namen kunnen onthouden en mensen die gezichten feilloos opslaan. Ik haal namen en gezichten altijd door elkaar en plak ze ook nog op andere situaties. Hopeloos. Al kun je er wel schrijver mee worden.

De dijk, daar is hij. Die is alvast veranderd. Groen omzoomd nu, met flinke bomen. De tochtige, eindeloze grindplassen zijn omgevormd tot recreatiegebied. Een flinke vijver is het, meer niet. Met twee strandtenten, in één ervan moet ik me melden. Fiets in het slot, welkomst-cava, consumptiebonnen, en daar staan ze.

Ik besef meteen dat het herkennings-technisch op een kleine ramp gaat uitdraaien. Af en toe meen ik iets bekends in een gezicht te zien, alsof het hologram van een puber over rimpels en grijze haren wordt geprojecteerd. Een schim uit het verleden. Maar verder dan die glimp kom ik niet, en wie het is weet ik er al helemaal niet door. Van anderen sta ik dan weer verbaasd dat ik ze van school ken en besef nu pas in hoeveel situaties je mensen kunt leren kennen. Gesteld dat je de naam onthoudt. Gelukkig zijn er naamkaartjes, al heb ik bij sommigen ondanks dat ding nog altijd geen flauw idee. Uiteindelijk een vrij nutteloos accessoire dus. Hooguit kom ik er door het stickertje achter dat ik absoluut een nieuwe bril nodig heb.

Kinderen van toen, vrienden, schoolgenoten. Achteraan-in-de-veertigers nu. Een enkeling is geen spat veranderd, de meisjes vooral. Pardon: vrouwen. Enfin, meisjes van zesenveertig. Het Vinnige Ding, het Dametje, de Goedlachse Regelneef..euhm nicht. En mijn geheime liefde? Elke puber heeft die, dus ik ook. Verschillende zelfs. Ook op school? Ik twijfel. Eentje kwam in elk geval in de buurt van de Onbereikbare Status. Zij is veranderd. Onherkenbaar. Nooit eerder richtte ik het woord tot haar maar overal is een eerste keer voor, zelfs na dertig jaar. En nu hakkel ik tenminste niet, zoals ik als puber ongetwijfeld gedaan zou hebben. Volgende. Verder. Ik heb nog met teveel mensen niet gesproken.

De alcohol spoelt de jaren weg, pestkoppen worden bloedbroeders, roddelaars worden informatiebronnen. Gezamenlijk trekken we aan het hoge gras dat over onze herinnering is gegroeid en ontdekken wat voorbij ging. Slap ouwehoerend, jolig het sluitingsuur rekkend, en passent iemand nog wat consumptiebonnen afluizend komt het einde in zicht.

Ik pruts aan mijn fiets, hijs me er moeizaam op en met krakende knieën beuk ik vloekend de helling omhoog.

Sommige dingen veranderen nooit.

 

 

 

 

7 responses

  1. Ik vind vermaledijde een cool woord! Jarenlang in de Suske en Wiske gelezen als “vermadelijde” en pas een jaar terug gelezen dat het anders was. Vind vermadelijde beter, maar ja, dat is persoonlijk he.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *