Hoe ik leerde om te stoppen met piekeren en van mijn geweer ben gaan houden

Guns of Bratislava

Ik liep achter de begeleider aan. Hij had een AK47 onder zijn rechterarm, in zijn handen een 9mm en een semiautomatische met de naam Scorpio. Ik had de oordoppen al op mijn kop. De deur ging open. Isolatie aan de binnenkant. De kruitdampen stoven mijn neus in. Ik stapte een grauwe wereld binnen. Een man of vijf stonden er al. Twee waren aan het schieten. Doffe klappen beukten zich een weg door de oordoppen via mijn buis van Eustachius richting mijn maagdarmkanalen. De begeleider stapte het middelste hokje in. Houten schotjes scheidden mij van m’n schietende buurmannen. Ik wilde weg. De begeleider haalde het magazijn uit de AK47 en begon ‘m vol te stoppen met kogeltjes. Allemaal even volmaakt. Ik hoefde niet te praten. Dat deed me deugd. Nadat hij klaar was, hing hij de schietschijf op en liet deze naar het midden van de schietbaan glijden.

Het zwart-witte kopietje in ons hostel gaf mij het idee dat het in de buitenlucht zou zijn. In een bos, met wat schietschijven of bierblikjes in het kreupelhout. Het meisje dat ons op kwam halen, zei dat het binnen was. Welke geweren we zouden krijgen wist ze niet. Ze was bang voor geweren. That makes two of us, zei ik. Ik had er eigenlijk onderuit proberen te komen. Denk aan mij als je schiet, zei mijn vrouw toen ik haar per telefoon vertelde wat we gingen doen.

De schieters naast mij hadden voor het silhouet gekozen. Wij voor de schietschijf. Dat hadden ze nog nooit meegemaakt. Alleen professionals kozen voor de schietschijf. Recreatieschieters namen altijd het silhouet. We wilden niet met de guns op de foto. Hadden ze ook nog nooit meegemaakt. We wilden de beschoten schietschijven niet mee. Hadden ze ook nog nooit meegemaakt. We’re pacifists, zeiden wij. Waar we vandaan kwamen, zouden ze later vragen. Uit Amsterdam, zou een van ons zeggen. Zij lachen. Trekjes nemend van fantoomjointjes.

Ik kreeg de Kalasjnikov in handen en zette ’m tegen mijn schouder. Haalde de trekker over. Tak, zei hij een kogeltje. Tak, zie een volgende. Droog en dof. Nog een keer tak. En toen nog een keer. Ik zag niet waar ik schoot. Ik haalde mijn ogen van het vizier om het te kunnen zien. Het moest iets meer naar boven. Ik schoot en ik schoot en ik schoot. Er leek geen einde aan te komen. De knallen naast mij waren nog tien keer zo hard.

Ik had de AK47 eindelijk leeg en legde hem weer op op het plankje voor me. Met uiterste voorzichtigheid. Alsof ik een Stradivarius overhandigde. Mijn begeleider begon de kogels in de Scorpio te laden. Deze waren groter en glommen nog harder. Ook weer allemaal even volmaakt. Ik kreeg ’m in handen. Linkerhand voor, rechterhand achter. Ik keek door het vizier. Haalde de trekker over. Dit was serieuzer. Dit was overduidelijk gemaakt om iemand mee kapot te kunnen schieten. Wat nu als er een psychopaat naast me stond. Zo eentje die besluit dat dit het moment is om het leven een definitieve wending te geven en om het houten schotje piept en van mij zijn eerste slachtoffer in een hele reeks te maken. Qua identificatie hadden wij enkel onze naam en geboortedatum moeten invullen. Hoeveel van die kogels zouden er dagelijks afgeschoten worden? Bij hoeveel mensen wordt het leven momenteel bruut afgekapt omdat ze met zulke kogels doorzeefd worden? Met de klap voelde ik mij minder op mijn plek. Ik had een kater en wilde weg hier. Stond op het punt om ermee te kappen. Maar toen waren de kogels van de Scorpio op.

Daarna kwam de 9mm. Mijn begeleider begon de kogels erin te doen. Gouden joekels die zo hard glommen dat ik mijn haar erin kon kammen. Hij deed het met zorg en souplesse. Toen hij klaar was, gaf hij het pistool aan mij. Ik wachtte totdat ik zeker wist dat hij achter me stond. Ik schoot. De klap, de terugslag, de huls die eruit vloog. Pure agressie. Ik voelde me ellendig, was er klaar mee. Het geweer ook. Hij had het gehad. Dit ben ik niet, zei hij, dit wil ik niet, haal me hier weg. Ik ben zo gemaakt, dat zal wel, maar ik heb hier helemaal geen zin in. Heeft niet ieder wezen het recht om op z’n minst een poging te doen zijn lot te ontlopen? Ik wil naar buiten, met vrienden in de kroeg zitten, naar meisjes knipogen, een biertje drinken op een bankje in de zon. Ik wil helemaal niet in een donker hol op een doel gericht worden en die verdomde kogels afvuren. En ik zal het je sterker vertellen: die kogels willen dit ook helemaal niet. Die willen gezellig bij elkaar in een doosje blijven zitten! Ze haten het om zo bruut van elkaar gescheiden te worden. Het pistool begon te huilen. Dikke tranen. Hij smeekte mij: neem me mee, laat me gaan, laten we stoppen met deze waanzin. Mijn erbarmen groeide en groeide, samen met mijn bereidheid hem te helpen, hoe hachelijk de poging ook zal zijn. Ineens, in een vlaag van medemenselijkheid: ik zuchtte, draaide mij om en rende de schietruimte uit, langs de balie waar ik mijn naam had moeten noteren, langs mijn vrienden die mij verbijsterd nakeken, langs het meisje dat bang was voor geweren, langs al die andere wapens die mij smekend aankeken om ook bevrijd te worden uit hun functie, langs een paar met stomheid geslagen Slowaken. En terwijl ik naar buiten rende, werd ik bij mijn benen gegrepen. Ik viel voorover. De 9mm vloog uit mijn handen. Maakte salto’s in slow motion en belandde in een langsrijdende pick-up. De pick-up reed het erf af, de horizon tegemoet. Vaarwel, mompelde ik. Beet in het stof en voelde het bloed in mijn vingertoppen tintelen.

5 responses

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *