Donald Duck is Kwaadaardig: de Jonge Woudlopers Onthuld (II)

In het vorige deel zagen we hoe de Jonge Woudlopers cool zouden kunnen zijn, met behulp van leugens en list en bedrog. Dit keer gaan we een iets realistischer verhaal schetsen. Als fucking waarschuwing.

Coolheid is een keuze. Wil je dat de woudlopers cool zijn? Dan laat je ze roken, en mensen in elkaar slaan, en chicks neuken met een knip van de vingers. Wil je dat woudlopers an sich cool zijn? Door eerlijk te zijn?? Gaat niet gebeuren! Dan kan je beter felrealistische verhalen schrijven waarin woudlopers worden gepest en ze in hun boomhut handjobs op elkaar gaan oefenen omdat ze maar geen vriendinnetje kunnen krijgen terwijl zij ook behoefte aan warmte en genegenheid hebben.
Dat op een avond de jeugdige hormonen uit de hand beginnen te lopen naar de mond (pun intended, -red.), en ze elkaar beginnen te pijpen en verboden vruchten (anussen, -red.) worden geplukt (piemels in gestopt, -red.).

Kan gebeuren, zult u zeggen. Ha, u bent ook jong geweest, toch? (in welk geval ik, zonder een waarde-oordeel te willen vestigen, toch even wil zeggen: iiieeeeeuuwwwwww haahahahaha!! Daar hoort toch geen piemel in?? Daar wordt uit gepoept, viespeuk!! Maar ja tijdens groepstherapie heb ik gehoord dat dit “Homofoob” is en “Niet ok”. Nou ok dan. DAN DOE JE TOCH GEWOON DIE PIEMEL IN JE REET. MAFKETEL)

Goed. Onafscheidelijke drieling, maar de ochtend na de geilheid is dit toch wel erg raar wakker worden. Ze willen even afstand nemen van elkaar.
Zoeken ze contact met anderen? Misschien niet eens bewust, maar los van elkaar zijn ze toch minder intimiderend. Doen ze toch meer hun best in de smaak bij hun andere maten te vallen.
En stel dat, misschien vinden een paar van de jongens Kwek wel heel grappig. En vertelt hij wat grappige anekdotes. Waar hard en smakelijk om wordt gelachen. En hee, misschien, dronken van de roes, laat hij zich gaan en vertelt hij over zijn broertjes en dat ze elkaar gepepen hebben, hahaha!

Oeps, en dan wordt er minder gelachen. “Echt?” vraagt een van de rechtop lopende varkens of honden.
“Ja, nou, weet je wel,” zegt dan Kwek, die in zijn hoofd denkt dat hij de schade aan het beperken is, maar ook weer niet durft te liegen: “Zo gay is dat niet, het is heel normaal om te experimenteren. Als je jong bent. En ik slikte niet door, dat deed alleen Kwik.”

Right, die heet voor de rest van zijn leven Slik Duck. “Hee Slik Duck, daar komt Kwakkie Duck! BWAAHAHAHAHA. SLIK KWAK DAN. HAHAHAHAAHAAA!!”
En dan iemand anders, alvast was schouders stompend: “… Effe een… QUICKY!!! QUICK FUCK DUCK!!”

Simpel genoeg om te deduceren dat Kwak en Kwik dit Kwek nooit vergeven zullen. Dit was privé, hee.
En hoe redden zij zich er uit? Niet, is het simpele, harde antwoord. Getekend voor het leven. Niet alleen de homofiele broertjes Kwak en Kwik, maar ook de homofiele broertjes Kwak en Kwik. Verstoten uit de normaliteit, nooit meer geholpen door vrienden die ze nooit meer zullen hebben, komen ze daar niet terug in: ze zullen sociaal achterlijk opgroeien.
De situatie tussen hen en Kwek wordt natuurlijk onhoudbaar: hij heeft hun levens verwoest. Hij voelt hun haat, en hoewel hij zijn positie als ‘grapjas’ in zijn vriendengroep nog heeft weten te behouden, is er achterdocht bij de vrienden- en een sterk gebrek aan zelfvertrouwen bij hem.

Kwek zal het conflict over de klif drijven, waardoor Donald Duck geen andere keus zal hebben hem terug te sturen naar zijn moeder, om een nieuwe start te maken.
En Kwik en Kwak? Nou ja, die mogen blijven, maar van die hyperaggressieve oom met zijn mislukte leven hoeven ze ook niets te verwachten. De man kan niet eens zijn dysfunctionele relatie met Katrien Duck in stand houden- heeft in al die jaren dat ik de Donald Duck lees ook nooit contact gehad met zijn zus, de moeder van zijn neefjes, of zijn eigen moeder, zijn vader… Hoe kunnen die kinderen dan ooit leren wat een normale relatie is, wat een normaal verhouden tot een ander inhoudt?

Niet. Na de basisschool komen ze niet los van hun stigma. Slechte verhalen plakken. Jaren later zal Kwek ze nog tegenkomen in Duckstad, en voorzichtig vragen hoe het gaat.
Kwik en Kwak hebben dan een onverzorgd, vettig verendek. Ze dragen goedkope, grijze jassen, en licht getinte grote zonnebrillen.
“Ja goed man,” zegt Kwik met een geforceerd zware stem, “Zo. Met jou dan? Heb jij eigenlijk al geneukt? Het is bij ons op school echt altijd raak. Wat een sletten. Laatst werd ik gepijpt in het klaslokaal, na de les. Door een chick, man wat heet.”
Kwak knikt beamend, zegt niets maar likt zijn lippen vaker dan nodig zou moeten zijn. Hun beider voorhoofden glimmen van vet.
“Oh nou dat klinkt goed,” zegt Kwek dan.
Nu is het Kwik die zijn lippen likt.
“Ja man, echt goed. Maar hee we moeten even verder. We hebben een afspraak. Met een chick. Even palen, vlug erin eruit, je weet wel. Moeder is niet thuis. Echt een slet.”
“Ok ik zie jullie nog wel een keer,” zegt Kwek.
“Ja man, echt. Cool man,” zegt Kwik. Kwak likt zijn lippen.

En hoe gaat het ondertussen met Kwek? Wel, de neefjes zijn ergens in 1937 achtergelaten bij Donald Duck. Nooit wat van zich laten horen. Wat denk jij wat voor moeder het nu voor Kwek is?
Kwek is eenzaam. De enige liefde die hij ooit gekend heeft was daar, toen, in die boomhut. Of nee, beseft Kwek, dat was het moment waar alles kapot ging. Hij balt zijn geveerde vuisten. Alles kapot.
Hij merkt ook dat hij geleerd heeft van zijn fouten. In zijn nieuwe vriendenkring maakt hij grappen, maar niet meer over homo’s. Dat is een serieuze aangelegenheid voor hem: hij haat homofilie. Haat wat het doet, waar het toe in staat is.
“Zo’n kankerflikker hoeft mij dus echt niet aan te raken,” zal hij zeggen tegen zijn vriendenkring, ernstig vervolgend: “Dan sla ik hem echt helemaal dood.”

Terug naar Kwik en Kwak. Naar hun afspraak. Vrij van sociale schroom en opvoeding houden zij zich op in de buurt van openbare toiletten. Soms vinden ze daar injectienaalden.
“Misschien kunnen we die verkopen aan junkies!” roept Kwik. Kwak fronst vragend zijn wenkbrauwen. En likt zijn lippen.
“Dan moeten we wel weten of het goed spul is,” beaamt Kwik.

Zo begint het: restjes drugs uit naalden, als er al restjes waren. Misschien was het wel gewoon het idee van de pijn afstompen. Maar pijn laat zich niet door ideeën doven. En wat wel dooft, komt niet gratis. Gelukkig kunnen ze de prijs betalen met wat zij in de boomhut geleerd hebben.

En eigenlijk moeten we blij zijn: de verworpen schepsels waarin zij transformeren zullen geketend zijn aan hun geestverlammende drugs. Hadden zij op hun kamers gezeten, met hun woede, wie weet. Hadden ze ook naar hun school kunnen gaan, bepakt met automatische wapens. Duckstad ligt in Amerika, immers.
Nu niet. Nu is het jaren later, als een opgefokte Kwek met wat vrienden van de universiteit in zijn pick-up truck komt aanscheuren. Uitstappend met een honkbalknuppel in zijn hand.
“Tijd om al die kankerhomos DOOD te slaan, jongens!!” roept hij dan, het groepje verspreidend, afrennend op de bosjes waar die teringflikkers zich vast weer zullen ophouden. Te donker om echt wat te zien. Maar genoeg om te zien waarop hij moet uithalen.

Pang! Het holle metalige geluid van de knuppel tegen de afwerende arm voelt goed. Net als de impact. Als hij- eigenlijk per ongeluk- de slaap weet te raken voelt hij de schedel meegeven, hoort hij het krakende geluid. De arm zakt, en begint spastisch te schudden. Nu kan Kwek vrij uithalen. Als hij dat doet, springt er ineens een ander op zijn nek. Zegt niets, begint gelijk te bijten. In paniek denkt Kwek aan AIDS. Hij pakt de knuppel bij de kop, en stoot het naar achteren, op zijn belager in. Weer het geluid van hol aluminium. Het klinkt minder bevredigend nu. Griezelig. Eng.

De belager valt. Kwek verschuift zijn grip, beide handen om het handvat van de knuppel. Van hoog boven zijn hoofd zwaait hij de lichte knuppel hard naar beneden. Een harder gekraak. Deze spartelt niet. Kwek voelt bloed in de kraag van zijn sportjasje druipen.

Dan hoort hij het geluid van de motor van de pick-up truck. Koplampen die aanflitsen- hem en zijn slachtoffers in het volle schijnsel zettend. Kwek kijkt naar beneden.
“KOM OP!” roept een van zijn vrienden. De anderen rennen terug naar de truck. “KOM OP!” roept de man nu specifiek naar Kwek Duck, die als versteend staart naar de twee eenden aan zijn voeten. Één maakt een misselijkmakend kreunend geluid, van een levend iets wat onherstelbaar kapot is. De ander is stil.
“DE POLITIE!! KOM OP!!” roept de man nu, Kwek zijn trance verbrekend. Hij beweegt zich weg, aarzelend. Dan joggend. Dan rennend. Springend in de achterbak van de truck, die met blubber opwerpende banden en grommende motor zich verwijderd van het bloederig tafereel.

Als Kwek vier dagen later gevonden wordt, zonder afscheidsbrief, gaan de meeste van zijn vrienden die er die avond bij waren van uit dat hij bang was voor AIDS. De bijtwonden. “Zo’n homoziekte,” zullen ze boos fluisteren, staand bij de gesloten kist.

DAT is de waarheid, Donald Duck, DAT is wat er gebeurd met woudfucking lopers. En JIJ beweegt de jeugd op DAT pad. Jij bent de overheid die zegt dat roken alleen voor Bad Boys is, en dus iedereen het verderf van longkanker en handjobs for crack injaagt. Hoe… KUN je.

Ceterum censeo Donald Duckem delendam esse, godverredomme.

4 responses

  1. Hoewel ik de Donald Duck al jaren niet meer koop (en zeker niet de albums waar die akelige euro in voorkomt!) wil ik natuurlijk wel even reageren op Kwik, Kwak en Kwek en de Jonge Woudlopers. Dumbella Duck, hun moeder en tweelingszus, doet mij denken aan een vrouw die aanvankelijk kinderen wil en zodra deze zijn geboren lijkt ze opeens niet in staat te zijn op hen op te voeden. Dumbella zal vast en zeker ook niet altijd even goed met Donald overweg hebben gekund daar zij totaal niet ter tonele werd gevoerd in hij zijn jonge jaren en hijzelf zou juist door Oma Duck zijn opgevoed.
    Omdat de onbekende vader van Kwik, Kwak en Kwek door een vuurwerkbom zou zijn omgekomen en Dumbella haar kroost niet meer aankon besloot ze maar om deze als een soort vondelingen bij Donald achter te laten, gelijk aan wat echte koekoeken doen! Donald moet zowel als vader en moeder fungeren voor zijn neefjes en helaas blijken beide partijen, mits ze al een keer normaal met elkaar omgaan, er totaal niet voor terug te deinzen om elkaar uit eigenbelang, hebzucht, egoïsme, machtslust e.d. te bedriegen, op te lichten, te bestelen, elkaar het leven zuur te maken, uit te buiten of elkaar een vreselijk pak slaag te verkopen! Overingens doen de vier eenden dat ook bij Dagobert, Guus Geluk, Katrien, Oma Duck, Gijs Gans, Bertus Bolderbast en meerdere inwoners van duckstad en dezen doen dat natuurlijk ook omgekeerd!
    De neefjes hebben er bovendien een gruwelijke hekel aan om naar school te gaan en ze spijbelen bij het leven, gelijk aan Lizzy, Juultje, Babetje, Puk en Max, lijken op school niets te kunnen leren en zij halen altijd zo de slechtste rapportcijfers . Donald wordt daar terecht kwaad over hoewel zelfs hij op school eveneens een slechte leerling was!
    Als Kwik, Kwak en Kwek echter naar de Jonge Woudlopers gaan blijken ze, dankzij het ) Woudlopershandboek, alle kennes te vergaren over de wereld en zijn ze heel slim en wijs maar ze gebruiken het boek onbegrijpelijk niet om op school betere resultaten te kunnen behalen.
    De Jonge Woudlopers maken bovendien constant ruzie met hun rivaliserende vrouwelijke tegenhangers, de Roodkapje Patrouille, en deze laatsten schuwen bedrog, list en geweld niet om hun zin te doordrijven al is onbekend wie hun club oprichtte en zij blijkbaar geen Roodkapjes-handboek bezitten. De Roodkapjes worden geleid door een stoere vrouwelijke akela die verkeerde dingen van de meiden vaak ook toestaat en zij zo dus een oogje dichtknijpt.
    De Roodkapjes voelen zich meestal zelfs zo superieur aan de Jonge Woudlopers (geslachtsdiscriminatie is ook van alle tijden) dat ze bijna zijn te vergelijken met Wendy Darling, Cynthia, Maia, Tiger Lily, Meera en Tinkerbell, de zes stoere meiden uit ‘The New Adventures from Peter Pan’. In de aflevering ‘Stuck’ probeerden de zes jongedames slimmer te zijn dan de vijf jongens; Stringbean, Chubs, Baby, John en Michael Darling, door de piraten van James Haak te gaan bestelen van een magische sexiant, een meetinstrument. Helaas waren de zes meiden zonder Peter Pan niet opgewassen tegen de veel sterkere piraten en vlogen zij allemaal met hun handen op de rug gebonden in het ruim van Haaks’ schip!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *