Ganzen

In de dorpen ten noorden van Antwerpen – ‘de polder’ voor ingewijden – houdt men nog jaarlijks een oud volksvermaak: het ganzenrijden. Vaak hebben Nederlandse vrienden bij dat woord een vreemde voorstelling; ze denken dat op een of andere manier volwassen kerels daadwerkelijk plaatsnemen op een gans en ermee rondrijden of zoiets. Toegegeven: helemaal onmogelijk acht ik dit in de polder niet, maar het fenomeen ganzenrijden gaat ergens anders over

Een dode gans wordt in een met vissersknopen gehaakt net gebonden en ondersteboven opgehangen aan een zogenaamde galg. Stoere kerels razen er dan op een Brabants trekpaard –juist: die met die sokken – onderdoor en proberen de kop van de gans te trekken. Wat de dierenbescherming hiervan vindt laat zich raden. Een einde maken aan deze vermakelijkheid zou echter zonder meer een revolutie betekenen, met hoogst onzekere gevolgen voor het toch al wankele Belgische staatsbestel. Mijn mening laat ik dus in het midden en beperk mij tot een observatie, temeer een en ander recht voor mijn deur plaatsgrijpt.

Ongetwijfeld worden de festiviteiten aangekondigd, maar zulke dingen verdwijnen bij mij niet gelezen bij het oud-papier. Ergens begin april weet ik dat het weer zover is, als ik in de verte een grote trom hoor bonken. Het geluid klinkt van een afstand als het geklop op de kartonnen ton waar vroeger wasmiddel inzat. Ik weet hoe dat klinkt, als kind heb ik er honderden tot papier maché getrommeld. Dit natuurlijk tot grote vreugde van mijn broer en ouders.

Ik had het overigens ook kunnen merken aan de galg die voor mijn deur staat, en de dranghekken die al dagenlang een normale toegang tot mijn woning verhinderen. Maar sommige dingen onttrekken zich nu eenmaal aan mijn actieve waarneming. Pas als ik het gebons in de verte hoor, verbind ik de twee merkwaardige zaken met elkaar en maak ik dat ik buiten kom.

Eenmaal op het plein gaat het snel. Karakterkoppen op paarden denderen voorwaarts en geven een snok aan de ganzenhals, onder toejuiching van het hele dorp. Bijna had ik overigens ‘karpatenkoppen’ geschreven en het zegt iets dat de meeste ganzenrijders dat niet erg gevonden zouden hebben.

Af en toe valt zo’n karakterkop van zijn paard. Of het door de Stella’s komt die ze onverstoorbaar opslurpen terwijl ze op hun knol aanschuiven tot het hun beurt is? Kan, al zien ze eruit alsof ze niet in hun eerste pint gestikt zijn. Tomeloze geestdrift dan? Ik weet het niet, het zijn er de koppen eigenlijk niet naar. Hoe dan ook worden ze weer bij hun positieven gebracht met jonge jenever. Door in doktersjas gestoken jongedames. Misschien is dat laatste wel de oorzaak van de valpartijen. Maar opnieuw: het zijn er de koppen niet naar. Ik hou het zekerheidshalve maar op graanjenever van Filliers.

Na een uur of twee blauwbekken zwelt het gemurmel uit het publiek aan, en laten ouden van dagen hun rolstoel dichter bij de dranghekken manoeuvreren. Kenners zien het al aankomen, namen van degenen die nu mogen rijden worden geroepen. Galop, rondvliegende aardkluiten, een ferme ruk, een gortdroge krak en voilà: het dorp heeft weer een koning. Een buitenmodelse kroon wordt de gelukkige op het hoofd geplant en het feest kan beginnen. Meestal houdt de koning zijn ganzenkop de rest van de avond en lange nacht nog vast. Zijn handen stinken vast en zeker de hele week nog euhm..gans.

Alsof het hele spel maar een aanleiding is, verplaatst het dorp zich naar de biertent. Die ruikt zoals alle biertenten ter wereld: naar die eigenaardige mengeling van worst, platgetrapt gras en bier. Hooguit mag daar in dit dorp nog paardenmest aan worden toegevoegd. Ook de heks achter het tafeltje met consumptiebonnen is iets universeels. Het exemplaar dat hier zit kan de bonnen met haar neus afsnijden, maar dit terzijde.

Voor housemuziek hoeft een gevoelig oor geen schrik te hebben. Hier draaien ze nog Luv, Abba en Paard in de Gans. Pardon: Gang. En ontelbare keren een straatoud liedje: ‘Zonder onze koning kunnen wij niet leven’, ingezet door een verkreukeld dweilorkestje dat hem de hele dag al van jetje geeft.

Met het uur wordt het gezelschap zatter. Een dorp ondergedompeld in bier. Dat mis ik wel eens in een grote stad als Antwerpen. Daar kan een straat zat zijn, een plein hooguit. Maar twee blokken verder weten ze niet eens dat er iets te doen is. Hier deint alles en ik dein mee. Vanaf een bepaald ogenblik deinde de klei zelfs onder mijn voeten. Het zal de polderbodem zijn.

In het holst van de nacht worstel ik mij terug naar huis. Het dorp is uit pittoreske overwegingen vergeven van de ganzen en een aantal van hen verspert mij de weg. Rancune dat ik dit volksgericht aanschouwde? Een ultieme poging om te bewijzen dat ze niet dom zijn maar wel levensmoe? Hoe het ook zij: ik geraakte er nauwelijks langs.

‘Wacht maar tot volgend jaar’, was het enige dat ik kon denken.

 

 

7 responses

  1. Als Nederlander is het nu mijn beurt om te glimlachen om dit eh… culturele hoogstandje. Wij hebben tenminste nog het kuikenzuigen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *