Nachtcafé (4)

Het verschil tussen het nachtcafé en alle andere cafés is dat hier de lolligheid ontbreekt. Er wordt zelden gelachen of gezongen, meestentijds zitten de kroeghangers alleen. Behalve ‘ s weekends, dan valt er wel eens een groep zatlappen binnen. Zij zingen en lachen. Maar dat doen ze in hun groep. Alleen.

Echt druk is het er zelden. Ik vroeg me in het begin wel af hoe het café kon overleven op klandizie waarvan óf de ergste dorst al over is óf die niet vanwege de dorst komen. Een blik op de gokkers die de gokkast ranselden alsof hun leven er vanaf hing beantwoordde de vraag voor ik ooit de naïeve fout beging hem aan iemand te stellen. Boven de gokmachines is een scherm bevestigd, waarop het barpersoneel de gokkers van de voorzijde kan zien. En hun schaamte.

Deze dinsdagnacht zit ik naast een man in bruinleren jas. Hij kijkt voor zich uit en verkruimelt viltjes. Na een half uur staat hij op en rookt buiten in ijltempo twee sigaretten. Dat doet hij drie keer. Ik zie de puntjes telkens fel opgloeien. Nog even volhouden jongen, de nacht is zo voorbij.

Aan de andere kant naast mij zit een man in kostuum. Het is enigszins verfomfaaid en dat geeft hem op een vreemde manier juist meer cachet. He has been around. Vanaf binnenkomst flirt hij met de serveuse, een dame op roze crocks die de pensioenleeftijd nadert of voor hetzelfde geld al voorbij is.

Hij drinkt Cynar. ‘Artichokkensap, de enige groente die ik krijg’, zegt hij met een vuig lachje. Na een paar vruchteloze pogingen de serveuse te overtuigen van zijn kwaliteiten in bed, vraagt hij om de rekening. Het spul hakt er kennelijk stevig in, want hij protesteert hevig als de serveuse serieus begint te rekenen op een kladblokje. Hardop noemt hij de namen van wie volgens hem het woud van glazen is, dat voor hem staat opgesteld. De serveuse kijkt hem vermoeid aan over haar brilletje.

‘Den deze was voor u, van den Tonnie.’ Een eindje verder aan de toog heft Tonnie zijn pint met een klein gebaar van het doorweekte placematje van Gordon’s Gin.

‘Den deze hebde gij zelf geoffreerd aan meneer hier’. Ze wijst met het glas naar mij. Hij had mij het pekzwarte spul opgedrongen, en ik hield enige hoop dat ik de kelk aan mij voorbij kon laten gaan. Maar dankzij een oplettende serveuse zou ik nu Cynar moeten drinken.

Het gezicht van de man bleef echter een groot vraagteken. ‘Kannekik niet meer volgen se’ mompelde hij in zichzelf. Hij trok een gezicht alsof hij de jaarstukken van een middelgrote firma bestudeerde.

‘Zuipt nog wa meer’, sprak de serveuse kordaat en ze schoof zijn consumpties een beetje bij elkaar.

Hij herviel in zijn flirt-rol. ‘Seg, zo gaat ge met mij niet ver geraken hè.’

’40 Euro’, meldde de serveuse koeltjes en schoof het kladblaadje onder een nat viltje.

‘40 euro?! En ze hemme nog niet eens aan mne piet gezeten..!’

De man in leren jas stond op en liep naar de deur. Ik zag zijn gloeiende puntje langs het raam wegsjokken in de nacht. Alleen.

 

3 responses

  1. Wat een prachtige schrijvers hebben we toch bij nurks hè? Het is elke keer een feest om hier te belanden. En dit al dik 6 jaar! Molovich je hebt een klein wonder verricht hier.

  2. Wat een prachtige schrijvers hebben we toch bij nurks hè?
    En dat wordt ons uitgerekend meegedeeld door de enige die er nog nooit in geslaagd is om op het (vroegere, maar dat is weer een ander verhaal) nurksniveau aan te klampen…
    Ga je eigen diep schamen, mevrouw Oud Zeikwijf!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *