Fanfare

Antwerpen, graanmarkt. Ik zat op een terras, toen plots een Balkan Brass Band opdook. Jongens nog, de oudste was hooguit twintig. Ze speelden of hun leven er vanaf hing, hetgeen het ook doet als je 20 bent. Ik heb betere bands in het genre gehoord, maar zelden enthousiastere.

 

De muziek doofde langzaam uit om bijna volledig te smoren in een plateau pinten. Bijna, want alleen de tenor-saxofonist gaf niet op. In het lichtschijnsel van de terrassen, maakte zijn Oosterse klanken de graanmarkt tot het centrum van Dubrovnik. Heel even.

Ik sprak met de graatmagere bombardon-speler. Die meldde dat ze allemaal autodidact waren. Ze konden nog geen noot lezen, ‘zo groot als een carport’, vulde een tubaïst aan.

De oprichter-trompettist studeerde ‘iets met film’. Toen hij niemand van zijn vrienden meer zo gek kreeg om in zijn films te acteren, stelde hij voor om een fanfare op te richten. ‘Waarom ook niet?’, zo luidde algemeen het antwoord.  Inderdaad de enige vraag die een mens zich daarbij kan stellen.

Het instrumentarium bleek van het betere blik uit China, behalve de bombardon. Dat was een heel oude machine, die achteloos tegen een boom lag te slapen. Een Van Engelen uit Lier, zo te zien. Net na de oorlog gemaakt uit lege obussen. Daarop spelen is geen musiceren meer, maar puur overleven. Zal wel door die obussen komen.

De jongens hadden grootse plannen met hun fanfare. Zo wilden ze er een ‘Fanfaar van wacht’ van maken. Voor als plots ‘s nachts iemand een fanfare nodig moest hebben. Het idee leek mij zeer aantrekkelijk, een gat in de markt zelfs. Al zijn er altijd mensen die daar dan weer misbruik van maken. Net zoals ze met opzet pizza’s laten afleveren op een fout adres. Al zou ik liever een fanfare op mij dak krijgen,  maar dat is persoonlijk.

Ik zag ze bezig, jonge honden, onvermoeibaar aan het leven snuffelend, niet bang om overal op te pissen. Ik moest denken aan een dergelijke fanfare die ik ooit met vrienden had en die nu een comapatiënt is, waarop wij een keer of twee per jaar een fanatieke reanimatiepoging loslaten. En aan het liedje van Jan de Wilde, met de geruststellende slotregel:

‘Maar ergens in de stad klinkt een nieuwe fanfare, een nieuwe fanfare van honger en dorst’.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *