Kapotte gitaren

Niemand had haast. Waar we kwamen, speelde mijn vader op de piano in ruil voor voedsel. Ergens in de buurt van Eilat kregen we onderdak van een voormalig Mexicaans worstelaar die zichzelf El Greco noemde. Hij had een enorme vrouw. De worstelaar was klein en vierkant, zijn vrouw lang en slank.

Ze hadden, als ik mijn ouders mag geloven, bijna constant ruzie. Voor sommige mensen is ruzie als zuurstof. Ze kunnen niet zonder.

De voormalig Mexicaans worstelaar handelde in dadels. Vooral gedroogde. Ter ontspanning maakte hij gitaren. Hij had al een stuk of veertig exemplaren gebouwd, maar had ze allemaal kapot geslagen. Ergens tegen het einde van de vervolmaking van zo’n gitaar begon zijn vrouw te zeuren dat ze hem nooit zag. Dat hij altijd alleen maar met zijn gitaar bezig was. Dan werd El Greco kwaad en sloeg hij demonstratief zijn gitaar kapot. Op de rots naast de ingang van hun huisje. Zijn kapotte gitaren zette hij in de tuin. Een kerkhof van kapotte gitaren.

Mijn moeder was getuige van zo’n gitarenmoord. Drie meppen. Terwijl de gitaar al bij de eerste mep aan diggelen lag. De snaren sprongen. Om de sfeer erin te houden begeleidde mijn vader zichzelf die avond door met zijn mond een mariachi-trompet te imiteren. Als dank kregen mijn ouders mescal. Zelf had de worstelaar ook wat genomen. En zijn vrouw ook. De ruzie die ze die avond hadden, klonk als muziek. Ik sliep met een sombrero over mijn meloenenhoofd. Een windhoos danste op de vlakte.

2 responses

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *