De geschiedenis van mijn lafheid (5)

Het was al lang licht toen ik in de trein naar Amsterdam stapte. De trein vertrok niet. Ik viel in  slaap op de rode bank. Ik werd wakker. De trein stond nog steeds stil. Ik had het warm, het leek me beter om buiten verder te slapen. Ik ging naar buiten, zette me neer tegen het hekwerk en viel weer in slaap. Even later werd ik wakker. De trein stond er nog steeds. Ik keek eens om me heen en bleek reeds in Amsterdam te zijn. Dit beloofde een gezegende dag te worden.

Ik doorkliefde het kuierend volk, negeerde vioolspelende meisjes, kebabbakkers en eierkoppers. Ergens ter hoogte van Günther und Meuser hoorde ik mijn naam. Het was collega E. die samen met haar man R. op een platte schuit aan het dansen was. Of ik mee wilde. Natuurlijk wilde ik dat. Het was immers een gezegende dag. De zon scheen, de prosecco stond koud en de muziek hard. Het enige wat ik hoefde te doen, was op te letten voor te lage bruggen. Met je ogen dicht dansen terwijl je een brug nadert en bijna niemand je naam kent, dat moet je niet willen. Maar onverwoestbaar als ik was, zou het allemaal wel goed komen.

Een paar uur later lag ik op mijn buik met het mooiste meisje van de platte schuit onder mijn rechterarm. We waren niet de enige die lagen. Iedereen lag. Bukkend voor een zeer lage brug. `Wie is die gast eigenlijk?´, riep iemand. Het mooiste meisje van de platte schuit bleef liggen waar ze lag. Onder mijn rechterarm.

Even later stonden we weer te dansen in de namiddagzon. Ik voelde me met de minuut onverwoestbaarder. Ze vroeg wat ik deed. Ik vertelde wat ik deed. Ik vroeg haar wat zij deed. Ze vertelde wat zij deed. Ze was actrice, maar deed voorlopig vooral werk als model. Onder andere voor het Wereldnatuurfonds. Maar dat deed ze gratis, want ze was gek op dieren. “Hm”, zei ik, “Ik haat dieren. Van mij mogen ze allemaal dood.”

Iemand stootte tegen de platenspeler. De juichende violen die de hele tijd rond ons heen hadden geklonken, kwamen abrupt tot stilstand. Niet alleen op onze boot, ook op de andere boten was men opgehouden met wat men deed. Aan de kant van de grachten hielden de vioolmeisjes op met spelen, liet de kebabbakker zijn oranje das in brand vliegen en vloog er een ei richting de maan. Heel even kromp ik ineen en paste ik tussen de rimpels van de pink van iemand die te lang in een warm bad had gelegen.

Afgedropen en opgedroogd liep ik met E. en R. over de Prinsengracht. We gingen naar de after party, maar waar die was, was nog niet helemaal duidelijk. `O nee`, zei R. toen iedereen een pand binnen ging, `o nee, niet weer, niet naar Micha Klein! Dat wordt weer een orgie en daar heb ik helemaal geen zin in.` E. en R. gingen naar huis.

Ik liep de hoek om en vond mijn onverwoestbaarheid weer terug op de Hazenstraat. Liep daar twee barmeisjes van mijn stamcafé tegen het lijf. We kochten sigaretten bij vrouwencafé Saarein. Tegenover Saarein stonden drie jongens tegen de winkelpui van de dochter van de grootste ouwehoer van de Jordaan geleund. “Wat kijk je”, zei er een. En voor ik iets kon zeggen, vloog er een voet tegen mijn hoofd, zeeg ik neer en kuste ik de stoeprand. Terwijl ik opkrabbelde, zag ik hoe mijn aanvaller werd aangevallen door de barmeisjes van mijn stamcafé. Hij wist niet wat hem overkwam. Mijn onverwoestbaarheid was, terwijl ik op de grond lag, uit mijn oor gesijpeld en stroomde nu langzaam door de goot richting de riolen.

2 responses

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *