De geschiedenis van mijn lafheid (4)

Grommend sleepte de tractor de sleetjes voort. Wij volgden. Ik, mijn broertje, mijn ouders en nog een stuk of twintig Nederlandse hotelgasten. De rupsbanden toornden boven ons uit. Het was avond. De sneeuw dempte alles en zorgde ervoor dat onze vrolijkheid niet te ver weg waaide. We gingen rodelen. Van een berg af die slechts verlicht werd door de maan en de koplampen van de tractor. Bovenaan kreeg iedereen een shotje rum. Op mijn broertje en ik na. Als enige kinderen waren we uitgegroeid tot een soort mascotte. De sleetjes werden losgekoppeld. Ik ging met Ron op de slee.

Ron was de reisleider. Elke dag bracht hij ons met een busje naar een piste een aantal dorpen verderop. In de buurt van ons hotel waren te weinig goed besneeuwde heuvels. De rit duurde een klein half uur. Ron reed. Er werd gelachen om opmerkingen die ik niet snapte. Iets over koffie en kost een paar centen maar dan heb je ook wat. Mijn vader moest de tranen uit zijn ogen vegen.

We begonnen voorzichtig. Ik voorop, Ron achter mij. Ron gebruikte zijn handen om vaart te maken. Beetje bij beetje gingen we sneller en sneller. Maar het ging Ron niet snel genoeg. ‘Willen we winnen, of willen we winnen’, riep hij. Ik hield mijn mond. Ik wilde niet winnen. In plaats van met de bocht mee te gaan, ging Ron rechtdoor. Het bos in. Buiten de gebaande paden was de helling twee keer zo steil. En vol met takken en bomen waartegen we ons te pletter konden rodelen. Ron schaterde. De takken die tegen ons aan zwiepten werden slap als touwtjes door de rumwalm die uit Rons mond kwam.

Het was de eerste keer dat wij op skivakantie gingen. Mijn broertje en ik in een skiklasje, mijn ouders gingen langlaufen. Op een dag kreeg ik een bloedneus. Dat had ik vaker in de die dagen. Gevolg van mijn neuspulkverslaving. Lange slierten bloed sleepte ik mijn neus uit. Ik had geleerd om mijn vingers tegen mijn neusbotje te houden en mijn hoofd omlaag te doen om zo het bloeden te stelpen. Deed ik mijn hoofd achterover, dan liep ik het gevaar te stikken. Aldus mijn ouders.

Ik bloedde leeg. Het bloed stroomde mijn neus uit en kleurde de berg rood. Ik hield mijn hoofd voorover, maar de skilerares wilde dat ik mijn hoofd naar achteren deed. Ik zei dat ik mijn hoofd voorover moest houden, maar zij sprak louter Duits. Daar viel weinig tegen in te brengen, ik deed mijn hoofd naar achteren. Vrezend voor mijn leven. Het bloed hoopte zich op in mijn neus, in mijn voorhoofdholte, in mijn keel, benam mij de adem. ’s Avonds vertelden mijn ouders dat ze precies op dat moment langs kwamen met hun langlaufgroep. Ze hadden alles gezien. Terwijl de berg geleidelijk aan rood kleurde, zagen zij hoe de skilerares mijn hoofd achterover deed. Ze besloten niet in te grijpen, terwijl ik daar in mijn bloed aan het stikken was.

One response

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *