De geschiedenis van mijn lafheid (1)

Schuimvlokken op het Binnenhof. De brandweer staakt. Het schemert. Op de soundtrack klinkt Vangelis’ thematune voor Miami Vice. Op deze tonen bezong Sok tijdens de eindejaarsmusical van groep acht zijn toekomstdroom: Ik ga naar de Mavo om / Te studeren voor piloot / Ja ik wil piloot worden / Piloot worden dat wil ik zo graag Hij was de enige die zijn tekst zelf had geschreven en kreeg daar een hoop credits voor. Dat wakkerde enige jaloezie bij mij aan. Mijn excuus was dat ik in de week van het scheppingsproces in het ziekenhuis lag met een liesbreuk.

De liesbreuk was een paar weken eerder vastgesteld. Een zwarte broeder onderzocht mij. Voordat hij overging op het onderzoek, vroeg hij wat wij wilden drinken. Mijn moeder wilde sinaasappelsap, ik appelsap. De zwarte broeder wilde een mix. Appelsinaasappelsap, zei hij tegen de zuster die de bestelling op kwam nemen. Hij vroeg met een dik Surinaams accent of ik problemen had met een rectaal onderzoek. Ik wist niet wat rectaal was en zei dat ik dat best vond. Hij deed zijn handschoenen aan en vroeg of ik op mijn knieën wilde zitten. Daarna wist ik wat rectaal was. Een dag niet geleerd, is een dag niet geleefd. Zwijgend dronk ik mijn appelsap op. Hij zijn appelsinaasappelsap.

Mijn klasgenoot heette niet echt Sok. Dat was zijn bijnaam. Hoe hij aan die bijnaam kwam, wist niemand. Hij haatte die bijnaam. Zijn ouders waren hier opgegroeid in een tijd dat dit tot het armste gebied van Nederland behoorde. De oksel van de rivierendelta. Mijn ouders kwamen van buiten. Net als de ouders van al mijn vrienden. Gevallen voor de ongereptheid van dit dorp aan de Waal. Import, noemden ze ons.

Mijn vrienden en de vrienden van Sok hadden vaak ruzie met elkaar. Geen idee waar het over ging. Ik hield me graag afzijdig, bang als ik ben voor fysieke confrontaties. Dat werd me wel eens kwalijk genomen. Mijn afzijdigheid werd verward met neutraliteit.

Elke maandag als de school uitging voor de middagpauze, gingen wij naar de bakker om misbaksels te halen. Voornamelijk zoete en zoute krakelingen die gebroken of misvormd uit de oven waren gekomen. Terwijl ik een halve zoute krakeling at, vond een vriend van mij het tijd dat ik liet zien uit welk hout ik was gesneden. “Geef Sok een schop onder z’n hol”, zei hij. Ik liep naar Sok toe en gaf ‘m een schop onder z’n hol. Hij schrok. Pijn deed het vermoedelijk niet. “Wat doe jij nou?”, zei hij. Ik liep snel weg.

Thuis at ik mijn boterham op. Een half uur voordat de school open ging stond ik op een even leeg als zonovergoten schoolplein.

3 responses

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *