Vergane glorie

Ik denk dat ik een jaar of acht was. We waren naar het strand, ergens in Frankrijk, aan de Atlantische oceaan. Ik dook als eerste de zee in. En op een gegeven moment lukte het me niet meer om terug te komen. Ik zag mijn ouders handdoeken uitspreiden op het zand. Mijn broertje stond erbij. Ik geloof niet dat ik heb geroepen, ik gebruikte al mijn kracht om te zwemmen, maar ik kwam geen centimeter dichterbij.  Ik zwom en zwom en zag mijn ouders nog geen vijftien meter verderop als in een film waarin de camera heel langzaam uitzoomde totdat alles voorgoed onbereikbaar zou zijn en de aftiteling zou beginnen. Ik weet niet meer of ik dacht dat mijn einde naderde, ik weet alleen nog dat ik ineens een hand voelde die mij bij mijn bovenarm pakte, mij uit het water tilde en mij op een plek zette waar ik weer kon staan. Zonder hem te bedanken vluchtte ik het strand weer op, terug naar mijn ouders. Ik ging naast hen zitten en zweeg. Ik kreeg een boterham met hagelslag.

Nu zaten we in Hotel Americain, na afloop van de Gijsbrecht. Hier liet Harry Mulisch omroepen dat er telefoon voor Harry Mulisch was, zodat hij moest opstaan en iedereen kon zien dat Harry Mulisch hier op dit moment, op dit snijpunt van tijd en ruimte, een kopje koffie aan het drinken was. Hier vierden mijn ouders in zeer intieme kring (met mij en mijn broertje) ooit hun zilveren bruiloft, en had ik ze bedankt dat ik bestond. Het grand café voelde nu, op deze miezerige zondagavond, als vergane glorie. It’s so hard to keep the dream alive. Waar we het over hadden, weet ik niet meer, maar op een gegeven moment vond mijn vrouw het een goed idee om mijn ouders te vragen of ze wel wisten dat ik ooit bijna was verdronken. Toen ik het gezicht van mijn vader zag, moest ik denken aan dat verhaal over een Russische ridder die te paard naar een dorp reist, over een spierwit boomloos landschap, dwars door een sneeuwstorm heen. Bij het dorp aangekomen krijgt hij te horen dat hij over een meer heeft gereden dat nog niet zo lang daarvoor was dichtgevroren. In gedachte ziet de bode zich met paard en al door het ijs zakken. Hij sterft ter plekke aan een hartaanval.

5 responses

  1. Ik loop door de AH, houd stil bij de afdeling broodbeleg en denk: Strand, zomer. Hagelslag?
    Wat ook begint door te smelten is de parabool, de redder, in dit verhaal. Waarom liet die narcistische meneer Mulisch dan niet omroepen dat hij, híj, HIJ, zojuist een jongetje had gered?
    Ik verlaat de supermarkt. AH. Alleen hagelslag. Er werd niet eens bij vermeld of het bruine of witte was. Zal wel witte zijn geweest. Anders had Mulisch het jongetje nooit gered. Mulisch was Oostenrijker. In elk geval half. En dat is in de afweging tussen wit en bruin vaak minstens twee keer te veel.

    • Ik zal wel weer wat over het hoofd zien, mevrouw de terechtwijzer, maar de koppelingen hagelslag-Albert Heyn-Oostenrijk vind ik veel te ver gezocht, zo kan je altijd wel ergens wat in vinden. Wat me ook irriteert is die c-en voor je zogenaamde naam. Ik kan aardig tegen een bal trappen, maar ik noem mezelf toch ook geen Czlatan Cibrahomovic?

      • Czlatan Cibrahomovic. Is dit een tikfoutje of…? Subtiel hoor!
        En om hopelijk uw irritatie enigszins te kunnen afflauwen: Als Cadolf Chitler ook Calbert Cheijn naar Causchwitz had verwezen, dan had ik vanochtend waarschijnlijk door de Caldi gelopen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *