Ik Ben Wubbo Ocksels, hoofdstuk VIII: deel 8

Wubbo gleed door het nu haast pikzwarte -en stille- water. Geen alarmen, geen sirenes en zwaailichten. Misschien was het zijn adrenaline. Een focus op wat belangrijk is, kunstmatig gecreëerd door zijn hersenen, alle ruis weg gefilterd.
Verderop zag hij een andere astronaut. Waarschijnlijk een medische unit op stand-by, dacht Wubbo.

Wubbo zette zich af, en gleed naar de astronaut, zodat hij hem terug kon leiden naar Space Commander Gert Vandervaert. Nu merkte Wubbo dat hij zijn eigen ademhaling hoorde. Een teken dat de adrenaline afnam, en hij weer meer bewust werd van zijn omgeving? Of een extra impuls van zijn brein om Wubbo nog verder te laten ontspannen?

“Pardon,” zei Wubbo, de astronaut op zijn rechterschouder tikkend, “Pardon meneer. Er gaat iemand misschien dood. Denk ik.”
De astronaut draaide zich langzaam om. Wubbo zag zijn spiegelbeeld vervormen in het gouden zonnevizier van diens helm.
“Hallo?” probeerde Wubbo nogmaals.
De wit behandschoende hand bewoog zich naar de rand van het zonnevizier, klikte ergens aan, en schoof het ding naar boven, zodat Wubbo het gezicht in de grote vissekom kon zien. Het was dat van Buzz Aldrin.

“Buzz Aldrin??” riep Wubbo uit, en hij kon zich wel voor zijn domme hoofd stompen want wie noemt er nou een maanvaarder die je niet persoonlijk kent bij zijn koosnaampje?
“Meneer…”
Wubbo wist zijn echte voornaam niet. Moest hij meneer Aldrin zeggen? Is dat niet te formeel?
“Meneer Buzz?” ging hij uiteindelijk voor. Om dan te beseffen dat Space Commander Gert Vandervaert nog in het water was.
“Meneer Buzz, Space Commander Gert Vandervaert is daar. Zonder zuurstof. Er ging iets mis… Met de luier… En…”

Buzz Aldrin knikte binnen zijn helm. Hij pakte Wubbo bij zijn hand, en trok hem mee.
“Nee… Die kant. Meneer Buzz. Aldrin,” stamelde Wubbo. Buzz Aldrin was vastbesloten, echter. Hij trok Wubbo verder de diepte in, richting een deur. Een spacedeur. Vingers in de handschoen gingen naar het numerische paneel, en toetsten een code in waarna de deur open schoof. Achter de deur zag Wubbo een andere astronaut, in overall en zonder helm, zwevend in de duisternis, in een verdraaid knap gesimuleerde weergave van de laadruimte van een space shuttle.

Buzz Aldrin wenkte Wubbo mee. Wubbo sloeg de luiertas over zijn schouder, en volgde maar weer in de klassieke schoolslag. Vlak voor de andere astronaut stopte Buzz, keek Wubbo aan, en wees naar de edele delen van de man. Wubbo keek, en zag een open kruis in de broek. De astronaut was aan het urineren in de laadruimte, zijn piemel goed vasthoudend, het ritmisch rond zwepend, om een spiralende straal urine te krijgen.

Wubbo keek snel weg, en zag toen pas dat er nóg een man in de ruimte was- ook aan het urineren. Met de diepste concentratie was de ander bezig een volmaakte bal te maken van urine. Waarom leek hij zoveel op Buzz Aldrin? En waarom die ander ook?
“Je moet je voorstellen,” zei Buzz Aldrin, “Hoe gevaarlijk dat is. Als één druppeltje losbreekt, als hij net iets té nonchalant aftikt- dan ontploffen alle machines. Begrijp je dat, Wubbo Ocksels?”

Wubbo zag de ernstige gezichten van de astronauten, het zweet parelend op hun voorhoofden, en wist dat het ze menens was.

“Kijk,” zei Buzz Aldrin, wijzend uit het raam van de space shuttle. Daarbuiten was een astronaut in ruimtepak. Daar achter was de aarde. Het leek wel de echte ruimte, dacht Wubbo.
“Hij heeft het kruis opengeknipt van zijn ruimtepak,” legde Buzz Aldrin uit wat Wubbo zag gebeuren, “en er met naald en draad een soort klittebandsluiting op gemonteerd. Zodat hij in de ruimte kan urineren. Weet je hoe koud het is in de ruimte? Krankzinnig koud. Krankzinnig koud, Ocksels. De urine zal bevriezen, en als een ijsklomp in de aarde slaan. Een komeet. Zo hard.”

Wubbo keek Buzz Aldrin aan. Die staarde met een haast manische vastbeslotenheid naar buiten. Een blik die schreeuwde dat hij het liefst naakt naar buiten zou vliegen, om daar de zekeringkabel van de astronaut los te knippen, het uiteinde te grijpen om vervolgens hem als een soort kogelslingeraar de oneindige ruimte in te zwiepen. Brullend al die tijd.
Maar tegelijkertijd sprak de blik ook zachtjes, haast zangerig- Dat hoewel dit misschien waar was, hij er ook alles aan zou doen om hem in dat geval weer met de space shuttle op te vangen. Om zijn leven te redden- hetzelfde leven dat hij zonder nadenken had opgeofferd. Zachtjes, sprak die stem, maar minstens zo vastbesloten.

“Jij vraagt je af waarom wij dit doen,” zuchtte Buzz Aldrin. Wubbo knipperde. Ja, hij moest toegeven da…
“Jij vraagt je het af, maar je weet ook dat het klopt. Jij weet dat er wetten zijn, waar alles zich aan dient te houden. En soms gebeurd dat niet. Maar jij weet dat het klopt. Want ook al worden wetten gebroken,” richtte Buzz Aldrin nu zijn manische blik vol uitslaand vuur naar Wubbo, “Het systeem klopt. En als een systeem niet klopt, Wubbo… Dan kan jij er zeker van zijn dat dit dan ingekapseld zit in een systeem dat wel klopt. En als dat niet klopt, Wubbo, dan kun je er zeker van zijn dat dit dan ingekapseld zit in iets dat wel klopt.”

Het uitslaand vuur was een knetterend vuur. Een magnetisch vuur, zuigend vuur.
“… En als DAT niet klopt… Dan kan je er…
Wubbo voelde aan alle kanten iets branden. Vanuit het raampje zag hij de ruimtewandelende- en nu ook urinerende- astronaut hem aankijken. Net zo strak en vol van vuur. Ook al had die astronaut zijn zonnevizier nog wel naar beneden, Wubbo voelde het. Net als hij de blikken voelde van de twee mannen in de laadruimte. Die niet op Buzz Aldrin leken, maar het gewoon waren. Deuren gingen open, en meer Buzz Aldrins zweefden naar binnen.
“En als dat niet klopt, Wubbo Ocksels…”
“Dan zit het wel in iets anders dat wel klopt. Wubbo Ocksels,” maakte een andere Buzz Aldrin het af.

Ze kwamen nu allemaal dichter op hem af. Getrokken door het vuur. Door elkaar pratend nu, elke keer dezelfde zin, herhalend en herhalend, herhalend herhalend herhalend herhalend herhalend: “En als DAT niet klopt, Wubbo, dan moet dat dus ingekapseld zitten in iets dat WEL klopt. En als DAT niet klopt, Wubbo, dan moet dat dus ingekapseld zitten in iets dat WEL klopt. En als DAT niet klopt, Wubbo, dan moet dat dus ingekapseld zitten in iets dat WEL klopt. En als DAT niet klopt, Wubbo, dan moet dat dus ingekapseld zitten in iets dat WEL klopt. En als DAT niet klopt, Wubbo, dan moet dat dus ingekapseld zitten in iets dat WEL klopt. En als DAT niet klopt, Wubbo, dan moet dat dus ingekapseld zitten in iets dat WEL klopt. En als DAT niet klopt, Wubbo, dan moet dat dus ingekapseld zitten in iets dat WEL klopt. En als DAT niet klopt, Wubbo, dan moet dat dus ingekapseld zitten in iets dat WEL klopt. En als DAT niet klopt, Wubbo, dan moet dat dus ingekapseld zitten in iets dat WEL klopt. En als DAT niet klopt, Wubbo, dan moet dat dus ingekEn als DAT niet klopt, WuEn als DAT niet klopt, Wubbo, dEn als DAT niet klopt, Wubbo, dan moet dat dus ingekaEn als DAT niet klopt, Wubbo, dan moet dat dus ingeEn als DAT niet klopt, Wubbo, dan moet dat dus ingekapseld zitEn als DAT niet klopt, Wubbo, dan moet dat dEn als DAEn als DAT niet klopt, Wubbo, dan moet dat dus ingekaEn als DAT niet klopt, Wubbo, dan moet dat dus ingekapseld zitten in iets dat WEL klopt.pseld zitten in iets dat WEL klopt.T niet klopt, Wubbo, dan moet dat dus ingekapseld ziEn als DAT niet klopt, Wubbo, dan moet dat dus ingekapseld zitten in iets dat WEL klopt.tten in iets dat WEL klopt.us ingekapseld zitten in iets dat WEL klopt.ten in iets dat WEL klopt.kapseld zitten in iets dat WEL klopt.pseld zitten in ieEn als DAT niet klopt, Wubbo, dan moet dat dus ingekapseld zitten in iets dat WEL klopt.ts dat WEL klopt.an moet dat dus ingekapseld zitten in iets dat WEL klopt.bbo, dan moet dat dus ingekapseld zitten in iets dat WEL klopt.apseld En als DAT niet klopt, Wubbo, dan moet dat dus ingekapseld zitten in iets dat WEL klopt.zitten in iets dat WEL klopt.”

“AAAAAHHH!” gilde Wubbo ondertussen maar.
“AAAAAAAAAAARRRHHHHHHHHHHHH!!!!”
Hij schoot wakker uit en met dezelfde gil.

5 responses

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *