Claustrophonie

De moderne mens kent angsten die de generaties voor hem niet hadden. Dat zou voor elke generatie kunnen gelden, maar onze angsten kónden vroeger domweg niet bestaan. Ik heb het dan niet over bindingsangst of andere existentiële bullshit.

Nee, het gaat hier over angst met hoofdletter -A, voor een gebeurtenis die je leven direct beïnvloedt. Zo ben ik ben bijvoorbeeld wel eens bang dat mijn telefoon in de wc zal vallen. Mij lijkt het de ultieme ramp als het ding uit je binnenzak glipt en in het water plonst. Telefoonnummers, foto’s, bestanden, mijn halve leven: alles weg. En als je halve leven in ‘de cloud’ mocht staan, ben je evengoed nog veertien dagen zoet om alles weer op z’n plek te krijgen. Behalve dat ene wachtwoord van die ene app waar je veel te veel voor betaald hebt, en waarvan je toch echt dacht dat het ergens genoteerd stond, hetgeen nu niet meer blijkt te kloppen en… enfin, tegen wie zeg ik het. De angst dat je phone in de plee zal plonzen is dus een terechte angst, die ik ‘claustrophonie’ heb gedoopt.

Mocht ik nu mijn grootmoeder van deze angst op de hoogte kunnen brengen – ze is al tien jaar dood – dan zou ze mij totaal niet begrijpen. Haar telefoon stond op een tafeltje in de gang, tussen de kapstok en de paraplubak, op een perzisch kleedje. Over het waarom van dat laatste  denk ik nog wel eens na. Ik ben er nooit uitgekomen.

Als het brave mens al de aanvechting zou hebben gekregen om de telefoon mee naar het toilet te nemen, dan zou het snoer voor die operatie te kort geweest zijn. Dat zou ze dan hebben moeten lostrekken, en behalve de stekker van het koffiezetapparaat heb ik haar nooit iets van ‘elentriek’ zien vastpakken.

Maar goed. Moeizaam zuchtend zou ze zich naar het kleinste kamertje begeven met het oogmerk haar telefoon in de pot te stoppen. Het toestel zou nauwelijks nat worden want het was een wc met zo’n plateau, waar maar een bodempje water stond. Ik zie de snoeren al over de bril hangen. Of nee, als ze iets deed dan deed ze dat grondig dus die probeerde ze vast weg te werken in het putje, dat als het Boze Oog de afvoer naar het ondermaanse bewaakte.

Moeizaam zou ze zich vervolgens omdraaien, om mij vragend aan te kijken: ‘En nu jongen?’ En ik zou moeten bekennen dat het dat wel zo ongeveer was. Nog een keer zou ze naar het apparaat kijken en zich afvragen waarom iemand daar in ‘s hemelsnaam bang voor zou moeten zijn.

Dan zou ze naar de keuken schommelen om een stuk zelfgebakken pruimenvlaai voor mij af te snijden. En te vertellen hoe er in de oorlog eens een bom in de mesthoop was gevallen en de kelder waar ze aanvankelijk hadden willen schuilen was ingestort.

Want elke generatie heeft zijn eigen angsten.

2 responses

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *