De Koers

Een malse zomerbui spoelde de terassen leeg. Onder de luifel klontert een merkwaardige verzameling mensen samen: twee kussende koppeltjes (waarvan er slechts één het meent), een eenzame pijproker, een zakenman uit Duitsland en een groepje luidop gapende Chinezen. Een van hen probeert een taxi te bestellen en terwijl hij even wanhopig als breedgebarend staat te telefoneren, kijkt een ander reikhalzend onder de luifel door, de verkeerde kant van een eenrichtigstraat in.

Naast mij schuift een oude baas aan. Nog voor hij zit, priemt hij een knokige vinger mijn richting uit en vraagt: ‘Wat drinkte gij feitelijk?’ Net of hij mij gadesloeg vanuit een naburig appartement en na een tijd piekeren, persoonlijk poolshoogte besloot te nemen om aan het mysterie een einde te maken. Ik vrees echter dat hij gewoon om een praatje verlegen zit. ‘Grimbergen’, antwoord ik naar waarheid. ‘Da zal wel smaken zeker?’ zegt hij, en hij heft een inmiddels gearriveerd glaasje bubbels op dat totaal niet past bij zijn drie tanden en het versleten baseballpetje op zijn magere hoofd. ‘Champagne of zoiets’ meldt hij zo terloops mogelijk. Alsof hij er nooit helemaal achter is gekomen wat ze hem bij binnenkomst automatisch voorzetten.

Hij begint over ‘de koers’ en ondanks dat ik geen zin heb in een gesprek over wielrennen, laat ik mij toch vangen. Binnen enkele tellen gaat het over Fausto Coppi, Jacques Anquetil en de onvermijdelijke Merckx. Ook wat mindere goden uit de jaren vijftig passeren de revue, zodat ik de Limburger Jan Nolten in de strijd werp. Die kende hij niet. Ik vertel over hoe Nolten in 1952 de flanken van de Puy de Dôme geselde, en slechts door de grote Fausto Coppi kon worden ingehaald. Alleen maar omdat de volgwagen met een opgeblazen radiator langs de kant van de weg stond, en zijn ploegleider hem dus niet kon waarschuwen. De champagnedrinker blijft echter volhouden hem niet te kennen. Waarschijnlijk omdat Nolten beter was dan zijn Antwerpse tijdgenoot René Mertens. Diens prestaties in diverse kermiskoersen bezong de oude man wel nog, zij het kort.

‘Tis te laat vur den tram zeker?’ vraagt hij. Ik beaam gemakkelijk. Niet omdat ik de dienstregeling uit mijn hoofd ken, maar omdat om vier uur ‘s nachts nergens trams meer rijden. Toch zeker niet in Antwerpen. Hij commandeert een taxi aan de cafébaas en krabbelt vast naar de rand van de weg. Op de stoep schiet hem iets te binnen en hij komt terug. ‘Stan Ockers, die heeft zeker en vast nog gewonnen van Nolten’, grijnst hij. Ik grijns terug, en zie de Chinezen in zijn taxi kruipen.

Je kunt niet altijd winnen in het leven.

2 responses

  1. Hij is fijn!

    Het heeft iets vreemds, die zekerheden die Vlamingen in hun taalgebruik verweven. Die woordjes als ‘feitelijk’ en ‘zeker’ die eigenlijk geen enkele toegevoegde waarde hebben, behalve dat ze min of meer de onzekerheid of twijfel van de spreker onderstrepen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *