Zinloze geluidsoverlast

Onlangs vond in Club Cele de tweede aflevering van Politiek Café plaats. Dit keer ging het over geluidsoverlast. Ik las onderstaande verhaaltje voor.

Zo nu en dan, als er in het Wezelandenpark een groot evenement is, zit ik in mijn tuin op de Eendrachtstraat en hoor ik de doffe dreunen van een housebeat. Dat het een ander verhaal is als je vlak naast het park woont, is evident. Wat ik er van zou vinden als er tijdens het festivalseizoen om de haverklap feesten werden gehouden in mijn achtertuin, weet ik niet. Maar wat ik nu moet ondergaan, daar valt mee te leven.

Waarschijnlijk maak ik vaker deel uit van het evenement dat de geluidsoverlast veroorzaakt, dan dat ik er de dupe van ben. Geluidsoverlast is voor mij iets anders. Een kraan die druppelt terwijl ik probeer te slapen, dat is voor mij geluidsoverlast. Een collega die iets te luidruchtig door zijn neus ademt en om de zoveel tijd rochelende geluiden maakt, dat is voor mij geluidsoverlast. (Ik moest erop gewezen worden door een andere collega), maar toen ik het eenmaal wist kon ik niets anders meer horen.) Iemand die in de stiltecoupé flinke happen uit een stevige appel neemt, dat is voor mij geluidsoverlast.

Maar ook over dat soort geluidsoverlast zal ik niet zo snel klagen. Volgens mij heb ik het één keer in mijn leven gedaan, geklaagd over geluidsoverlast. Of beter gezegd: mijn vrouw ging klagen en ik stond er vlak achter, bij wijze van steun.

Wij woonden in Amsterdam. Het was een schitterende septemberdag in het jaar 2007. Amsterdam was die zondag autovrij, wat door diverse lokale politieke partijen werd aangepakt om iets ludieks te doen. Direct onder ons appartement stond een DJ met aan weerszijde van zijn draaitafel twee enorme luidsprekers. Daaruit klonk op loeihard volume Will Smith die Here Comes the Men in Black zong. Aan de rand van het verder volmaakt lege plein stonden geen men in black maar drie jong volwassenen in lichtblauwe polo’s waarop in wit-oranje letters VVD stonden te lezen. Zij keken naar een collega-partijlid die pogingen ondernam een ligfiets onder controle te houden.

Op ons balkon bleek de muziek, via een ingenieus weerkaatsingsysteem met de tegenover ons gesitueerde muren, nog harder te klinken dan op straat. Links en rechts en schuin tegenover mij zag ik buurtbewoners met groeiende weerzin deze toenaderingspoging van de VVD trotseren. Maar hoe zij ook probeerden te volharden in hun pogingen op deze stralende zondagochtend van hun balkon te genieten, het was slechts een kwestie van tijd eer zij zich gewonnen gaven en zich terugtrokken in hun kamers, met deuren en ramen dicht.

Het waren aardige jongens die ons te woord stonden toen wij gingen klagen. Jongens die het beste met ons en onze wijk voorhadden. Zij hadden de hoop dat zij door een feestje te bouwen een informele sfeer konden creëren waarop jongeren van alle leeftijden af zouden komen die dan, verdoofd door beats en ligfietsen, ontvankelijk zouden zijn voor de blijde boodschap van de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie. Dat er nog niemand was komen opdagen behalve een handvol klagers had ook hen teleurgesteld, maar zij wensten de moed niet op te geven: wat niet was kon nog komen.

Het was vooral de zichtbare zinloosheid die ons stoorde. Keiharde beats, maar geen feestje. Had het evenement dat onder ons appartement plaatsvond daadwerkelijk gebruist, dan was het een heel ander verhaal geweest. Dan was ik hoogstwaarschijnlijk naar beneden gegaan om mee te doen.

One response

  1. Raak verhaal, zeer herkenbaar. Ik klaag ook nooit, en zoek ook de geluidsoverlast op. Ik woonde bijvoorbeeld ooit tegenover vier kroegen. In een ervan zat ik zelf regelmatig, gecombineerd met een grote dosis ‘leven en laten leven’ volstaat dat inzake geluidsoverlast. Het helpt wel dat ik slaap als een os en snurk als een Rus. Het zou mij niet verbaasd hebben als een van de kasteleins bij mij was komen klagen omdat door mijn gesnurk zijn klanten elkaar niet meer verstonden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *