Onderweg met J.J. Cale

Ooit, lang voordat de mobiele telefoon bestond, was de tourbus van J.J. Cale reeds vertrokken richting het volgende concert terwijl hij zelf nog op zijn hotelkamer bezig was met het oprollen van zijn sokken. Ze kwamen er pas achter toen ze reeds een kilometertje of 25 op weg waren. Terug bij het hotel zat J.J. Cale in de diner ernaast een uitsmijtertje te eten.

Ik moest aan deze anekdote denken toen ik afgelopen zondag de documentaire To Tulsa and Back: on tour with J.J. Cale zag. Op een zonovergoten ochtend ergens in New Mexico of zo, liep J.J. Cale met zijn gitaarkoffer naar de tourbus. Hij wordt wel de meest pretentieloze man die ooit onderdeel is geweest van de muziekindustrie genoemd. En dat zou wel eens kunnen kloppen. Hij loopt er zelf niet mee te koop. Bovenstaande anekdote heeft trouwens nooit plaatsgevonden naar mijn weten, maar het zou zomaar kunnen.

Zijn muziek is al net zo pretentieloos. Het hoeft geen aandacht, doet niet z’n best om opgemerkt te worden, maar ook niet om onopgemerkt te blijven. Het is er gewoon. Met dat fluwelen gitaargeluid en die stem die het midden houdt tussen fluisteren, zingen en een beetje voor je uit murmelen. En ook voor die stem geldt dat het niet per se gehoord wil worden. Als je wilt luisteren, prima. Zo niet, ook goed. J.J. Cale en zijn muziek, ze zijn niemand tot last.

Als hij opnames had gemaakt in de studio, dan nam hij de banden altijd mee naar huis. Daar knutselde hij verder. Dubde hij wat gitaren, nam hij zijn zangpartij nog een paar keer op. Oneffenheden werden weggewerkt. “En alles kwam in een soort J.J. Cale-soep terecht”, zegt Eric Clapton, “inclusief zijn stem.” Niks strijdt om aandacht. Geregeld is er een melodietje dat aan je geheugen blijft haken, een refrein dat je niet uit je kop krijgt, een riff die blijft hangen, maar daar kan J.J. Cale niets aan doen.

J.J. Cale was een laatbloeier. Had hij eerder succes gehad dan was het misschien anders gelopen. Maar toen het succes eenmaal kwam, en dan met name doordat Eric Clapton wat nummers van hem coverde, hoefde hij zijn best niet meer te doen om ergens boven uit te stijgen. Of om zichzelf belangrijker te maken dan hij is. Zich uitsloven was niet meer nodig. Zijn muziek is een soort superieure middle of the road-muziek. En de road in kwestie doorkruist zo’n uitgestrekte landschap in Arizona of Oklahoma of Texas. Waar de zon overdag zindert en tegen de avond het landschap rood kleurt. Ain’t no change in the weather, ain’t no change in me. Maar vervelen doet het niet.

Op de dag dat bekend werd dat J.J. Cale niet meer onder ons was, zat ik op een camping in Frankrijk. Er was net een groepje Nederlandse muzikanten aangespoeld. Die avond zat de zanger in het camping-café met zijn gitaar wat liedjes te spelen. Waaronder After Midnight. Ik vroeg of het een eerbetoon aan J.J. Cale was in verband met diens overlijden. Maar hij wist niet dat J.J. Cale was overleden. We kwamen aan de praat. Ze vroegen waar ik vandaan kwam. En voor het eerst zei ik zonder omwegen dat ik uit Zwolle kwam. Daarvoor voegde ik er altijd aan toe dat ik achttien jaar in Amsterdam had gewoond, bang als ik kennelijk was om als provinciaal gezien te worden. Maar nu liet ik het los. Het was zoals het was. Ik woonde in Zwolle. En niet meer in Amsterdam. Het zou mij niets verbazen als het de pretentieloze geest van J.J. Cale was geweest die in mij was gedaald om dit gegeven te aanvaarden.

Toen bleek die band op de camping ook uit Zwolle te komen. En zo werd het nog bijzonder gezellig de avond van de dag dat men bekend had gemaakt dat J.J. Cale was overleden.

18 responses

  1. Het is een raar fenomeen, dat wonen in Amsterdam: ik woon zelf in Amsterdam; geboren, getogen, en mijn familie ook, voor generaties. Het gekke is dat ik me nog wel eens soort van verontschuldig over dat ik uit Amsterdam kom. Ik kan daar immers ook niks aan doen, kan het niet helpen; ben er nu eenmaal geboren en er blijven wonen want best een leuke stad verder. De gretigheid echter van mensen die er een paar jaar wonen en zich dan blij/trots Amsterdammer gaan noemen, komt op mij vaak wat kramperig over. Maar dat ik me, omgekeerd, er voor lijk te schamen, of wat het ook is, gaat ook weer wat ver. En het werkt niet, ze horen het buiten Amsterdam meteen aan mijn stem.
    Enfin, als je niet eens in Amsterdam meer woont, waarom daar nog aan refereren: het werd hoog tijd, Molovich!

    • Haha, ik had een kennis die verhuisde naar Amsterdam en die presteerde het na een half jaar te zeggen dat hij in Mokum woonde.

  2. Ik kan mij daar wel wat bij voorstellen; het idee om in een buurtgemeente zelfs van het mooie Den Haag te wonen voelt al als over het randje kijken van een te hoog gebouw. Ik denk niet dat ik ooit weg zou willen. Maar ja dat is Den Haag, waarom iemand nou in vredesnaam in die stinkende nephoofdstad van een oaaaamsterdooaaaam zou willen wonen, dat is mij echt een raadsel.

  3. Het viel me ook zeer tegen van mezelf. Het was overigens niet zozeer dat ik zo trots was in Amsterdam te hebben gewoond, maar dat ik mij ervoor schaamde een Zwollenaar te zijn. Bang als ik was dat mensen een verkeerd beeld van mij zouden hebben (namelijk als iemand die uit Zwolle kwam, terwijl dat voor mijn gevoel nog niet zo was, ik woonde er toen een kleine vijf maanden, een mens heeft tijd nodig om af te kicken van zijn oude plek, het is een beetje zoals je in een nieuw jaar altijd even de tijd nodig hebt om eraan te wennen dat het toch echt tweeduizendzoveel is), zei ik wel altijd dat ik uit Zwolle kwam, maar nooit zonder daaraan toe te voegen dat ik daarvoor in Amsterdam woonde. Waarop meestal een ‘so what’-blik van mijn gesprekspartner volgde.

  4. Schop maar lekker naar Amsterdam. Zoals Wolkers zei: ‘Het is niet de gewoonte des arends zich met het ranzig rancuneus gekakel der hoenders bezig te houden als hij in een machtige glijvlucht het luchtruim doorklieft en vanuit de walm van kippenvoer en mest door het bijziend pluimvee met afgunst wordt nagestaard.

  5. Als er een volkje is dat met rancuneuze kippen kan worden vergeleken, dan zijn het de Amsterdammers wel. Of beter gezegd, de Jordanezen. Waarbij mag worden aangemerkt dat de Jordaan tegenwoordig in Almere ligt.

  6. Hoe vreemd, die kramp over afkomst. In Antwerpen is dat wat minder, heb ik de indruk. Antwerpen is Antwerpen, en de rest van Vlaanderen is parking.. En volgens alle andere Vlamingen zijn Antwerpenaren ‘dikkenekken’.
    Binnen Antwerpen is iedereen Antwerpenaar die zich dat wil voelen. Het kan ook niet anders in de stad met de meeste nationaliteiten (na/naast New York).
    Ik kom zelf uit Limburg maar ik spreek vloeiend (vloeibaar?) Antwerps, zodat ik het er altijd bij móet zeggen. Dat ik oorspronkelijk uit Limburg kom. Ik wil dat zelf ook trouwens, een zekere fierheid die Limburgers eigen is.
    Met Zwolle is overigens niets mis, waarde Molovich. Is u bekend met de boekbinderij Habes te Zwolle? Dat is aangetrouwd nog familie van mij.

    Het oeuvre van de heer Cole is mij voorts onbekend. Toch eens naar luisteren.

  7. Nee, met Zwolle is niks mis. Je hebt hier zo goed als alles. Alleen heb je het in Amsterdam keer twintig. En dat heeft zijn voordelen. En toen ik laatst in een Albert Heijn op de Jan van Galenstraat was, op zoek naar citroensorbet, miste ik het toch wel, de verscheidenheid. Elk mens z’n eigen subcultuur.

  8. Ik heb weleens meegemaakt dat een moeder vol trots vertelde dat haar (volwassen) zoon in Amsterdam woonde. Ze verwachtte een reactie van mij maar ik wist op dat moment bij god niet waar die trotse toon in haar stem voor was bedoeld. Gelukkig maar, want ik had toch niet geweten wat ik daarop had moeten antwoorden…”nou mevrouw wat geweldig van uw zoon zeg, zomaar naar die grote stad verhuisd?!?”

    Nu kun je me er weleens op betrappen dat ik zeg dat ik in Stockholm woon maar dat is alleen omdat niemand het gehucht dat daaronder valt en waar ik woon, kent. Maar weet dan dat ik op een heel stil, kneuterig plekje woon waar nooit iets gebeurd. Met al die drukte in mijn kop is dat precies de plek die ik nodig heb!

  9. In mijn tiener-twintiger jaren woonde ik half in Parijs. Halverwege verhuisde ik van mijn gehucht in de bergen naar Tokio en daarna naar Amsterdam. In Parijs was ik 2 mensen: de mens die van het gehucht kwam en de mens die van Tokio/Amsterdam kwam. Opeens deed het er toe wat ik zei. Opeens was ik de moeite waard.
    Daar zit toch wat in: in een megapool maak je een duizendvoud aan interessants mee dan in dunbevolkte gebieden.
    Maar andersom heeft het ook voor effect gehad dat ik (de gehuchtmens) de Parijzenaars nooit meer serieus heb kunnen nemen. Wat een snobisme!
    In Tokio bestond dat niet en in Amsterdam maakte het niet uit waar je vandaan kwam, als het maar van buiten de grenzen was. Provinciaal was je alleen als je uit de NEDERLANDSE provincie kwam. Amsterdammers waren in die tijd idolaat van exoten.

  10. Ik heb de indruk dat in alle (groot-)steden, de omgeving/provincie als boers of onbetekenend wordt beschouwd. Ik groeide op in een klein dorp, maar in de omgeving waren er nóg kleinere. ‘Wij’ waren zelfs de grootste van al die kleintjes. Het is kennelijk des mensen om de grootte van de woonplaats als maat te nemen.
    Snobisme herken ik, in alle steden waar ik kom. Maar af en toe vind ik het ook heerlijk om me daaraan over te geven (shame on me, ik zal zelf op zoek gaan naar iemand die mij 40 stokslagen kan toedienen).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *