De treinreis

In de trein van Amsterdam-Zuid naar Zwolle. Op het balkon, omringd door bejaarde medereizigers. De zon scheen, mijn medereizigers keken voor zich uit, ik kampte een milde kater en las op mijn telefoon Ik eet soms expres te veel wasabi, de eerste Playboy-column van de grootste nog levende schrijver der lage landen, Robert van Eijden, wiens Boek (256 blz.) vanaf 21 april in de betere boekhandel ligt. De avond ervoor vond de vijfde editie van het Blogbal plaats, alwaar de Blogger des Vaderlands was verkozen. Samen met de in  een onberispelijke smoking gestoken retecoolio Bas Taart eindigde ik op een tweede plek, ver achtergelaten door de nummer 1, Ton van Eck van Dagtaak, een sympathieke Reviaan die zijn opdracht uiterst serieus lijkt te nemen.

In mijn broekzak brandde de speech die ik die avond tijdens de heenreis had geschreven, voor het geval ik de verkiezing zou winnen en geacht werd iets te zeggen. De speech ging over de twijfel die ik had om deze speech te schrijven, aangezien er een kans bestond dat ik de verkiezingen niet zou winnen en ik het vermoeden had dat er weinig lulligers is dan rond te moeten lopen met een overwinningsspeech die je tevergeefs hebt geschreven. Toen ik niet gewonnen had en daadwerkelijk met die speech in mijn broekzak rond liep, bleek dat trouwens wel mee te vallen. Het gevoel van schaamte was niet groter dan normaal.

Wat ik wel moeilijk vind, is besluiten wat ik nu met die speech doe. Ik had ‘m in de trein geschreven, met de hand, en ergens ter hoogte van Almere Muziekwijk ondertekend. De speech eindigt met een geste: na afloop van de verkiezing wilde ik dit unieke handgeschreven document overhandigen aan de organisatoren van Het Blogbal, zodat zij ‘m een jaar later, als inmiddels duidelijk is welk een belangwekkende taak de Blogger des Vaderlands is en welk een duizelingwekkend getalenteerde schrijver erachter schuilgaat, voor grof geld zouden kunnen verpatsen aan het Letterkundig Museum, met alle financiële voordelen van dien. Maar nu ik een gedeelde tweede plek heb behaald, is het niets meer dan een waardeloos roze papiertje met wat niet ter zake doende woorden erop.

Het was druk in de trein. Ik zat op het balkon, naast mijn vouwfiets. Ter hoogte van Lelystad kwamen twee mannen binnen. Een lange en een kleine. Ze moesten staan.
– Ach, zei de lange, da’s misschien maar beter ook. Ik heb lang genoeg gezeten.
De ander schoot in lach. Naast mij zat een oudere man die het grapje begreep.
– Zijn jullie niet ontslagen uit de gevangenis?, vroeg hij.
Dat waren ze inderdaad. De lange had zestien dagen gezeten, de kleine twintig. De lange deed me aan Wim de Bie denken. Ze woonden twee dorpen bij elkaar vandaan. Kleine gehuchten onder de rook van Groningen. Ze wisten niet van elkaar dat ze tegelijkertijd in de gevangenis hadden gezeten. Daar waren ze pas achter gekomen toen ze buiten stonden. Ze zaten op andere afdelingen. Bij binnenkomst mag je kiezen: of met zes andere gevangenen op de cel, of alleen op de cel. Als je alleen op de cel zit, mag je maar een paar keer per dag, op vaste tijdstippen, naar buiten. Als je met z’n zessen in één cel zit, dan gaat om 8 uur ’s ochtends de celdeur open en mag je de hele dag naar binnen en naar buiten lopen. Het nadeel: je moet boffen met wie je op de cel komt te zetten. De kleine had geboft. Keihard gelachen. Dat was op andere cellen wel anders. Hij had er eentje gezien wiens kaak er helemaal af lag. Ja, je krijgt toch te maken met irritaties. En daar had je geen last van als je in je eentje op de cel zat. Bovendien had je dan, ter compensatie, een filmzender, waar je de nieuwste films op kon kijken. De lange had The Fury gezien, die oorlogsfilm met Brat Pitt. Alleen gaat de tijd wat langzamer. Gelukkig had hij wat wiet meegesmokkeld.
– Hoe dan, vroeg ik.
– Nou ja, je weet wel, zei hij. Hoe zou ik dat zeggen?
– Waar het zonnetje nooit schijnt, zei ik.
– Ja, daar ja. Da’s toch de enige manier. Je moet je bij binnenkomst helemaal uitkleden. En dan kijken ze onder je balzak. Je moet toch wat.

Verder was alles er trouwens gewoon verkrijgbaar. Behalve goed eten. Je kreeg slechte magenetronmaaltijden voorgeschoteld. En peren. Heel veel peren. Harde peren. Heb jij ook zoveel peren gezien? De kleine hoorde het niet, zat zijn aansteker uit te proberen.

De oude man vroeg waarvoor ze zaten. De lange had zijn boetes niet betaald. Hij liet een lijst zien waarop al zijn overtredingen stonden. Hij legde uit wat het betekende. Het meeste was openbare dronkenschap. Ik zag het voor me, zo’n Gronings gehucht met een stuk of drie vaste alcoholisten die dan door één overijverige politieagent voortdurend op de bon worden geslingerd, zoals dat heet. Hij liet nog een andere lijst zien. Van een kameraad van hem. Nou ja, een echte kameraad was het niet. Maar hij kende ‘m wel. Hij had ‘m gisteren nog gesproken. Zou vandaag ook vrij komen. Maar werd toen opgeroepen om naar Bevolking te komen. En als je door Bevolking wordt opgeroepen, dan weet je dat het fout zit. Ze waren er achter gekomen dat hij geprobeerd had een computer te stelen uit een studentenhuis. Had er zomaar zestig dagen bij gekregen.
– Hebben jullie nu wat geleerd, vroeg de oude man.
In de gevangenis leer je niks. Ja, hoe je er moet overleven. Maar gelukkig zit je met mensen op een afdeling die voor hetzelfde vergrijp zijn veroordeeld. Je zit niet samen met de moordenaars of zo. Zij hadden geen echte misdaad gedaan. Alleen hun boetes niet betaald. De lange was schilder, de kleine metselaar. De kleine kwam uit België. Ik hoorde het nu. Een mix van Antwarps en Grunnings. Ze hadden allebei kinderen. De ellende was dat er geen enkele zekerheid meer was. Vroeger had je contracten, nu moet je wachten totdat het uitzendbureau iets heeft.
– Je lijkt me een intelligente jongen, zei de oude man tegen de lange, waarom ga je niet studeren?
– Ja, zei de lange, ik zou wel wat willen doen met m’n leven, maar ik heb één probleem, en daar ben ik heel eerlijk in, en dat is dit.
Hij hield zijn jas open. In zijn binnenzak zat een halve liter euroshopperbier.
– Dan moet je daar wat aan doen, zei de oude man. Ik hou ook van een borrel, maar soms zeg ik: en nu laat ik die fles een jaar staan.
– Ja, zei de lange, dat zou ik ook wel willen, maar kijk, hoe zeg je dat… u heeft de alcohol onder controle, maar bij mij heeft de alcohol mij onder controle.
– Toch moet je het proberen, zei de man.
– Ik heb vaak geprobeerd te stoppen, maar dan zit je weer tot je nek in de schulden, en dan ga je stressen, en dan grijp je toch weer naar die fles.

We reden over de brug van Zwolle. De zon schitterde in de IJssel. Ik stond op om m’n fiets in elkaar te zetten. Maar toen ik stond besloot ik te wachten tot ik uitgestapt was. De oude man vroeg waar we waren. In Zwolle, zei ik. Daar moesten hij en zijn vrouw ook uit. De vrouw had niet aan het gesprek deelgenomen. Ze was in haar boek blijven lezen. De lange en de kleine gingen op onze plek zitten. We namen alvast afscheid.
– Leuke jongens, zei de oude man tegen mij, maar ze moeten er echt iets aan doen.
– Het is chronisch, zei ik. Ook als je jaren gestopt ben, blijf je alcoholist. (Had ik geleerd van James Ellroy.) Eén biertje en je bent weer terug bij af.

De rest van de dag heb ik de stoeptegels uit mijn tuin gesloopt. En de dag erna heb ik de tuin omgespit en gras gezaaid. Ik werkte mij in het zweet des aanschijns van de fluitende vogeltjes en waande mij Gerard Reve op zijn Geheime Landgoed. Minus de homo-erotische fantasieën over de meedogenloze jongen.

De speech zit nog steeds in mijn broekzak.

9 responses

  1. Zalig zoals steeds. Als die nieuwe blogger van het Vaderland beter is dan jij, dan moet ik hem dringend eens beginnen volgen. Hou die speech gewoon voor volgend jaar ;)

  2. The Fury?? Dat moet wel gewoon Fury zijn zeg hee, de beste film van vorig jaar! Filmisch bewijs dat ik bij ook maar een greintje oorlog mijn hele broekenverzameling zo vol zou kakken en een soort spastische wegrenbeweging zou maken terwijl ik me klemgraaf in een greppel ofzo. Leuk avondje uit was dat.

  3. Wat een avond! Wat een waanzin! Het leek het Boekenbal wel. Ik heb na die avond 4 dagen water gedronken en de rest uitgeplast. Ik ben helder en zal dat blijven. Geen doping meer te traceren, of adrenaline moet belastend zijn. En wat jouw speech betreft: moeten we keer samen presenteren, ik heb de mijne ook nog ergens. Een collega van mij kende jou beter dan dat hij mij kende. Mooie boel! We gaan iets organiseren!

  4. Mooie boel inderdaad. Maar het idee om een speech voor te dragen voor een gelegenheid die zich nooit heeft voorgedaan, bezorgt mij nog meer schaamte dan dat het schrijven ervan deed.

  5. Ondertussen is Bas Taart van de sociale media verdwenen of het is dat ik er niet bij kan. Ik vrees dat ik, onverbeterlijke flapuit, in al mijn cerebrale uitputting van het Blogbal iets vreselijk verkeerds tegen hem heb gezegd. Ik wou dat ik mijn mond vaker hield.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *