De Godin

Daar zat ik dan, tevreden. Achter me Hugo aan het roer, naast me de kapitein en op het voorplecht de schitterend mooie half indiaanse vriendin van El Commandante. Midden op de rivier bracht de gestage tred van boot enige verkoeling, alsof een flauwe wind de zengende hitte wist te doorsnijden. Nét aan. We waren in de verboden zone, maar met de schoonheid en de kapitein aan boord had ik een doorgangspas bemachtigd voor een dag. Niets wees op problemen, de rivier was vlak en leeg, stroomde weliswaar fors maar dat benadrukte de leegheid alleen maar meer. De bossen eromheen waren ver weg, sommige stukken lagen achteloos aangevreten aan de rivieroever. Een dag om nog iets verder richting een onzichtbare grens te komen. Een grens die al decennia lang was betwist. Ik zou nog een paar extra punten aan mijn gestaag groeiende veldwerkkaart kunnen toevoegen. Zo ver waren mijn voorgangers nooit gekomen.

De avond ervoor waren we aangeland bij het militaire kamp. Strategisch op een hoge oever, daar waar twee rivieren elkaar ontmoeten en innig vervlechten. De schemering begon te dagen, over een kwartier zou het pikdonker zijn. De volumeknop van het dagelijkse krekelconcert weer naar grote hoogten. Vreemd, geen wacht aan de rivier. Over een ietwat vervallen exercitieterrein met enkelhoog breedbladig gras naar een huis tegen de heuvel dat duidelijk het hoofdgebouw was. Een militair. Hugo er op af, uitleggen waarom we er waren. Even later verscheen de commandant, hemd in zijn broek frommelend. Een sprekende gelijkenis met Alcazar uit Kuifje. Felle donkere ogen, stevige kinpartij, zwarte stoppels.

Uiteraard was ik welkom te overnachten. Verder varen zou niet mogelijk zijn, betwist gebied immers. En een verontschuldiging voor zijn wat sombere gemoed. De afgelopen week was een van zijn zes overgebleven soldaten bezweken aan malaria. Morgen zouden ze hem herdenken. Om de hoek verscheen een wonderbaarlijk verschijnsel. Dertig jaar misschien, rondborstig, schitterend koppie, levendige ogen. De officiële vriendin. Uit een stad vier dagen verderop. Vriendelijk, doortastend, intelligent, sociabel en bovenal vrouw. Erg vrouw, rondingen daar waar rondingen horen, een taille om te zoenen. En dat aan het einde van de wereld, daar waar echte vrouwen een soort godenverschijning zijn. Prachtige mond, die huid, de lach!

Ze vroeg nieuwsgierig wat ik hier deed. Ik stamelde een beetje, maar ze begreep het meteen. Of ik haar vader misschien kende, zat ook in het vak. Momenteel een paar duizend kilometer verderop. In al die maanden was ik niemand tegengekomen die maar iets begreep van wat ik kwam doen, maar hier, aan het begin van het einde, was daar een uitzonderlijk mooie en begripvolle vrouw. Wat mijn plannen waren? Ik uitleggen, zij met een gedecideerde blik naar El Commandante. We zouden morgenochtend wel een oplossing vinden.

We zaten aan de stevige koffie. De krekels waren aan het aftaaien van hun ochtendconcert, de hitte begon al weer op te bouwen. Voor ons lag een stralende dag. El Commandante had een idee. Ik kon verder voor vandaag. Zijn kapitein ging mee om een landje van het leger bovenstrooms bij een dorp te inspecteren. Zijn vriendin moest er ook maar eens een dagje uit zei hij bijna terloops, “is goed voor haar”. Maar we moesten wel stipt half vijf terug zijn, want dan zou de herdenking zijn van de overleden militair. Met mijn Hollandse tijdsgeest zou dat geen probleem moeten zijn schatte ik zo in. Zo geschiedde, wij de rivier op.

Het gevoel de verboden zone in te gaan is onbeschrijfelijk. Ook al lag de grens zeker twee dagen verderop en was er nergens een spoor van conflict. Hier kwam niemand! Het gevoel van leegte alom. Op de satellietkaarten had ik een paar veelbelovende plekken gespot. Twee-drie uur varen, en ja hoor, het klopte. Ik aan het werk op de hoge oever, terwijl mijn reisgenoten onder de bomen ontspannen toekeken. Middageten was meegenomen, lekker gekookt. In de onmetelijke leegte smaakte de kip met rijst nog beter dan ik ooit had meegemaakt, het gezelschap was ontspannen en onderhoudend. Verse Ananas, volsappig. Ik moest denken aan de Picknick op het gras van Manet. Alleen zagen de heren er radicaal anders uit dan de 19de eeuwse Parijse –heren-met-hoge-hoed en was de dame niet ontkleed. En de bomen waren ook wat anders. We moesten terug, we zouden perse op tijd zijn voor de herdenking van de heengegane soldaat.

De inspectie stelde niets voor. Een half vervallen landje naast een dorp met erg aardige maar ook timide mensen. Even over het landje lopen om te kijken of het er lag, handjes schudden en een paar woordjes met het dorpshoofd (god, wat had ik zijn taal toch graag willen spreken) en terug de rivier op. We arriveerden strikt kwart voor vijf bij de aanlegplaats van het kamp. De leegte op het kamp was nog groter dan de dag ervoor. De zon scheen onverbiddelijk, maar ik was na drie maanden inmiddels gewend. We liepen naar het huis van El Commandante. Geen militair, niemand. De kapitein ging achter de barakken kijken. Even later verscheen een joch, tien jaar misschien, voddenkleren, neergeslagen blik. “Ze waren in het dorp”. Tien minuten bovenstrooms aan de zijrivier. Wij naar de boot. Wolken bouwden zich op, de zon begon mooie randjes op te lichten. De lucht werd allengs dikker en begon vervaarlijk te trillen.

Midden in het dorp, daar zat Alcazar. A split second: dit zat fout. Straalbezopen. Met twee pistolen in zijn hand commanderend naar de dorpsbewoners. Nog meer drank moest er komen. De lerares kreeg een tik tegen haar bil met de loop. Foute laveloze opmerkingen alom. Mensen buigend, grote ogen van de angst. Helemaal geen herdenkingsbijeenkomst. “Naar jullie boot” siste Godin me toe, “ik los het hier op”. “Waarom gaan jullie?” klonk het achter ons, maar ik hoorde de onverbiddelijke toon van de Godin die inpraatte op Alcazar. Hugo, ik, de kapitein naar de boot in de rivier. Op dat moment ging de hemel open.

Drijf- en drijfnat kwamen we aan het punt waar de rivieren elkaar ontmoetten. De boot aan de kant. De regen luwde wat en de schemering begon in te zetten. Ik naar het hoofdkwartier. In mijn kamer uit de druipende kleren, handdoek erbij en mijn laatste setje droge kleren aan. De deur klonk en bekende stemmen. Alcazar en zijn Godin waren thuisgekomen. Ik mijn kamer uit, hij plofte voor me neer. Zeiknat, met twee pistolen aan zijn zijde. Zij naar achteren om zich te drogen en om te kleden.

Alcazar was onvast, zijn ogen enigszins heen en weer. Maar opeens fel op mij gericht. “Hoe lang ben je nu hier?” Drie maanden”, antwoordde ik naar waarheid. Drie prachtige maanden van hard werken, prachtige mensen, schitterende natuur. Hij leek niet onder de indruk. “Heb je een vrouw”? “ja” loog ik enigszins, want ik had geen zin uit te leggen dat samenwonen met contract net zoiets is als trouwen. “Ze komt over drie weken”, weer naar waarheid. “Onzin” zei hij ferm. “Ik weet hoe het is om ver van je lief te zijn. Een echte man kan niet zo lang”. Hij wees naar de deur achter “Neem haar”. “Ze is van jou”.

Ik zat in de problemen, zoveel was duidelijk, diep in de problemen. Achter de deur een droom van een vrouw. Naast mij een laveloze commandant met twee vervaarlijk zwaaiende pistolen aan zijn zij. Ik zag me al met een paar gaatjes in mijn hoofd liggen langs een kreek, aangevroten door het ongedierte dat de bodem van het regenwoud zo vlekkeloos schoonhoudt. Misschien wel naast een levenloze godin ook met gaatjes in haar hoofd. Heel slecht idee, heel heel slecht. “Mijn vrouw komt over twee weken” probeerde ik. “Onzin, neem haar” riposteerde hij bruusk. “Maar we zijn net getrouwd” probeerde ik nog. “is ze niet mooi dan?”. Hij keek me triomfantelijk en minachtend tegelijk aan.

Aiiiii. Hier had ik geen antwoord op. ik zat echt diep in de penarie. Natuurlijk was ze mooi! Ze was zelfs goddelijk mooi, en intelligent bovendien! Een droom zo mooi. “natuurlijk”zei ik terwijl ik overwoog om me bij de godin te vervoegen. “Geen goed idee”schreeuwde het in mijn hoofd “niet doen, dit kan alleen maar slecht aflopen”. Ik duizelde, zelfs de overweging achter de deur een goed gesprek te gaan voeren leek op dit moment een heel slecht idee. Een straalbezopen Alcazar met twee pistolen zou tot alles in staat zijn. Daar zat ik in een huis aan het einde van de wereld, met een droom van een vrouw, een straalbezopen commandant die haar aanbood. Met pistolen op scherp.

Hij schonk zichzelf een glas in. “Mijn vrouw komt echt bijna” probeerde ik weer. Ik zou nog anderhalf week stroomafwaarts varen, verder stippen op mijn kaart zetten. In de Grote Stad aan de Grote Rivier zou ik nog een week verder werken en vervolgens mijn lief tegemoet vliegen in de hoofdstad. “Neeee, nee nee nee, ik weet hoe het is om een man te zijn zonder vrouw” beet Alcazar me toe met een schuin oog en een vuile blik. Hij slokte zijn glas in een teug leeg. “Echt, we gaan samen reizen in uw prachtige land, ik kijk er naar uit”. Alcazar keek me aan, in zijn drankwalm zag ik de twijfel. Zou hij boos worden omdat ik zijn aanbod niet aanvaardde? Of zou hij razend worden als ik zijn aanbod toch aanvaardde? Een seconde, he made his mind up. Ik was het niet waard. “Als jij het niet wilt dan ga ik wel”.

Alcazar stond op en met een onvaste tred, nadruipend van de deluge, waggelde hij naar de deur achter in de kamer. Met een ferme knal ging de deur dicht. Ik trok me zachtjes terug naar mijn slaapkamer, aan de andere kant van de grote woonkamer. Het werd die avond geen lekkere kip met rijst meer. En geen godin, goddomme.

De koffie was weer geweldig. Buiten was het helder, een zwemig blauwe ochtendlucht. De mooie vriendin liep langs, opgeruimd, vrolijk, scherp, onderhoudend. Alcazar kwam wat onvast in zijn hagelwitte ochtendjas aan het ontbijt. Hij verontschuldigde zich voor zijn wat sombere gemoed. “Een paar dagen terug was een van zijn jonkies overleden aan malaria”. Ik knikte meelevend. Hij hoopte dat mijn reis geslaagd was. Het was tijd terug te gaan naar de grote wereld. Hugo stond in de verte naast de boot me op te wachten.

One response

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *