Nous sommes les autres

vrolijke-broersZorgvuldig poetst Saïd Kouachi zijn AK-47. Het is een dagelijkse routine geworden. Een jihadi moet altijd klaar zijn voor de strijd. Toch is het is alweer een tijdje geleden dat hij de trekker overhaalde. Hij gebruikt de kalashnikov gewoonlijk vooral om te intimideren. Dan plaatst hij een selfie met zijn geweer op een of ander forum met een opruiende tekst eronder. En soms figureert hij ermee in een videoclip van zijn broertje. Maar niet vandaag. Nu is het voor het echie. Vandaag staat zijn kalashnikov hem bij tijdens zijn heilige missie.

Hij legt de AK-47 losjes op zijn schouder en bekijkt zichzelf in de spiegel. Hij ziet er goed uit met het geweer. Het plaatst hem in een rijtje illustere voorgangers. Niet alleen zijn strijdbroeders, maar bijvoorbeeld ook het machtige Russische leger en de Vietcong. Bij die laatste zag hij de kalashnikov voor het eerst, in de Amerikaanse serie Tour of Duty over de Vietnamoorlog. Ironisch genoeg werd die Vietcong door de Amerikanen “Charlie” genoemd. Saïd grijnt zijn tanden bloot. Hij gaat Charlie met Charlie bestrijden.

Zijn ogen dwalen af naar een foto die met een punt achter de spiegel is vastgeklemd. Hij kijkt in zijn eigen ogen en in die van zijn broertje Chérif. Ze kijken hem vrolijk aan. Vol van bravoure. Het was tijdens een weekend in Murat waar ze met hun broeders spraken over het rekruteren van jihadstrijders. Ze voelden zichzelf toen al heel wat, ook al ging dat rekruteren voor geen meter. Ja, met een jointje op de bank had iedereen de grootste bek, maar als de plannen concreet werden haakten ze af. Lafaards. Maar dat waren zij zelf natuurlijk ook in die tijd. Uiteindelijk was dat rekruteren niet meer dan slap excuus om niet zelf de wapens op te hoeven pakken.

Hun vrouwen doorzagen dat natuurlijk meteen. Tijdens gezamenlijke etentjes plaagden ze hen daar wel eens mee. “Zo mannen”, riep Soumya dan. “Hebben jullie vandaag nog wat ongelovigen afgeslacht? O nee, sorry, jullie rekruteren alleen maar…” En dan wisselde ze een spottende blik met Izanna. Gek werden ze ervan. Vooral omdat het natuurlijk maar al te waar was. Ze waren te schijterig om zelf een bomgordel om te binden. Daarvoor hingen ze te veel aan het aardse leven.

De druppel was een telefoongesprek dat Chérif opving tussen zijn vrouw Soumya en Hayat, de vrouw van Amedy Coulibaly. Daarin spraken ze giechelend hun bewondering uit over een paar kennissen die naar het Oostelijke front waren gegaan voor de jihad al-sayf, de jihad van het zwaard. Dat zouden pas echte mannen zijn. Mannen die wel de daad bij het woord durfden te voegen.

Chérif en Saïd lieten dat niet op zich zitten en vertrokken enkele weken later zelf naar Jemen om zich aan te sluiten bij hun Islamitische strijdbroeders. Ze zouden hun vrouwen wel eens laten zien uit welk hout zij waren gesneden. Niet lang daarna keerden ze echter weer gedesillusioneerd terug. Het enige wat ze hadden geraakt was een stel conservenblikjes. De Islamitische geestelijke Anwar al-Awlaki achtte hen nog niet klaar voor het echte werk. De broers waren gekrenkt maar niet gebroken. Hun tijd zou nog wel komen. En als de dag daar was, zouden er heel wat mensen flink op hun neus kijken. Vrienden en vijanden.

Saïd controleert zijn uitrusting en knikt tevreden. Nu, veel trainingen en een uitstapje naar Syrië later, is hij eindelijk klaar om zijn missie uit te voeren. Helaas is Awlaki er niet meer om zijn goedkeuring uit te spreken, maar Saïd weet zeker dat de spirituele leider zou instemmen met hun plannen. Even schieten de gezichten van Izanna en zijn kinderen door zijn hoofd. Hij stelt zich voor hoe zijn vrouw zal reageren als ze straks het nieuws verneemt. Met een mengeling van verbazing en trots waarschijnlijk. Gelukkig hoeft hij zich geen zorgen te maken over hun toekomst. Daar zorgt Al Qaeda voor. Ze zullen het goed hebben. “Inshallah”, hoor je dan te zeggen.

Buiten klinkt getoeter. Midden op straat staat een zwarte Citroën C3 te gassen. Uit het portierraam hangt het olijke hoofd van zijn broertje. “Had u een taxi besteld?”, schreeuwt Chérif naar boven. Saïd rent de trappen af, kijkt even vlug de straat door en wandelt dan zo kalm mogelijk naar de auto, de kalashnikov half verborgen onder zijn jas. Zijn broertje houdt breed lachend een deur voor hem open. “Opschieten Mr. Bond!”, roept hij. “Er wachten 70 maagden op ons.”

Saïd laat zich in het zachte leer zakken en werpt een goedkeurende blik op de achterbank. Een raketwerper, tien molotovcocktails, twee automatische pistolen, een granaat en de kalashnikov van zijn broertje. Misschien een tikje overdreven maar je kunt beter het zekere voor het onzekere nemen.

“72”, zegt hij als Chérif weer achter het stuur zit.
“72 wat?”
“72 maagden. Volgens de Koran wachten er 72 maagden op ons in het paradijs.”
“Ach, 70 of 72… wat maakt het uit”, schatert zijn broertje. “Meestal raak ik na zo’n 10 maagden toch al de tel kwijt!” Hij duwt het gaspedaal vol in en de Citroën spuit vooruit. Uit de boxen schalt “In Da Club” van 50 Cent.

Saïd glimlacht en laat zijn hoofd op het ritme meedeinen. Chérif is nooit echt Koranvast geweest. Onder jihadi’s is dat meestal ook niet zo’n probleem. Als je van kunstmest een bom kunt maken en die op strategische plekken tot ontploffing durft te brengen, dan is het al snel goed. Dan kijken ze niet op een maagd meer of minder. Zeker niet bij zijn broertje. Na die valse start in Jemen ontpopte hij zich al snel tot het lieverdje van Jihadistische kopstukken. Hij leerde snel en stroomde over van enthousiasme voor de heilige oorlog. En onder zijn medestrijders was hij geliefd door de wilde feesten die hij organiseerde. Feesten met een overvloed aan drugs en vrouwen.

De enige keer dat hij werd teruggefloten was op een trainingskamp van Djamel Beghal. Chérif had daar de bom nagebouwd die de Deense cartoonist Kurt Westergaard ooit tekende: het hoofd van de profeet Mohammed met een tulband waar een lont uit stak. Het leek zijn broertje een goede practical joke om Westergaard met zijn eigen creatie om het leven te brengen. Maar Beghal kon er niet om lachen. Witheet was hij. De profeet mocht nooit afgebeeld worden. Nooit. Ook niet voor nobele doelen zoals deze. Chérif had het geluk dat zijn banden met Al Qaeda-leider Nasser bin Ali al-Anassi toen al zeer hecht waren. al-Anassi wist de woedende Beghal weer tot bedaren te brengen. Anders had zijn broertje hier waarschijnlijk niet gezeten.

Het was de eerste en enige keer dat Saïd een jihadi meemaakte die zo streng in de leer was. Daarvoor dacht hij dat alleen echte moslims en ongelovige westerlingen de teksten van de Koran zo letterlijk namen. Hij had altijd gedacht dat alle jihadi’s de islam zagen zoals hij en zijn broertje hem zagen: als een middel om de macht over te nemen. Chérif en hij hadden de profeet nog nooit enige eer bewezen. Toen ze nog op de lagere school zaten maakten ze hem zelfs regelmatig belachelijk. “Profeetje spelen” noemden ze dat. Dan speelde een van hen Mohammed en de ander een ongelovige. De ongelovige moest de profeet op de meest originele manier beledigen. De profeet reageerde met stokslagen. Hoe origineler de belediging, hoe minder stokslagen. Saïd was altijd de meest fantasieloze van de twee geweest. Meestal kwam hij niet verder dan een stinkende scheet in het gezicht van de profeet, dus hij kreeg het vaak zwaar te verduren. De littekens staan nog op zijn rug.

Nu hij er zo over nadenkt heeft deze missie eigenlijk niets met de profeet te maken. En met cartoons al helemaal niet. Zelf hadden ze hard moeten lachen toen ze de Charlie Hebdo voor het eerst inkeken. Nee, dit is geen wraak. Het gaat hen vooral om de spanning, de aandacht, de roem. Diep van binnen verlangde Saïd altijd al naar het leven van een popster. Als kleine jongen hing hij een poster van Michael Jackson boven zijn bed. Hij wilde net als de King of Pop zijn, op een podium staan, in een stadion vol gillende meisjes. Maar dat werd niet geaccepteerd door zijn omgeving. Zijn vader scheurde de poster van de muur. Misschien was hij daarom wel jihadi geworden. Zo kon hij toch nog zijn droom nastreven. Jihadi’s zijn immers de popsterren van de islamitische wereld. Zij komen het dichtst in de buurt van Michael Jackson.

De broers Kouachi rijden zwijgend de Périphérique op van Parijs. Ze hoeven niets meer tegen elkaar te zeggen. Ze hebben deze dag al tig keer doorgenomen, weten precies wat hen te doen staat.

Chérif mindert vaart om niet op te vallen. Dat stelt Saïd in de gelegenheid om eens goed bij de andere auto’s naar binnen te kijken. Op zoek naar leuke meisjes om mee te flirten. Soms fantaseerde hij wel eens hoe de wereld eruit zou zien als de jihadi’s hun zin zouden krijgen. Hij vroeg zich dan af of hij wel zou kunnen leven in een kalifaat waar de sharia heerst. Dat zou betekenen dat hij niet meer met zijn matties op een straathoek kan rondhangen om zich te verlekkeren aan blote vrouwenbenen en diepe decolletés. Bovendien zou je gestenigd worden als je een keer goed van bil gaat met een lekker wijf dat niet je ring draagt. En dan was er ook nog die onderhoudsplicht voor mannen ten opzichte van vrouwen. Saïd zou het allemaal niet zelf bedenken. Van hem mag zijn vrouw ook wel eens wat geld in het laatje brengen zodat hij af en toe lekker op de bank kan blijven zitten.

Als hij heel eerlijk is tegen zichzelf, moet hij toegeven dat hij het nu eigenlijk beter heeft. Hij is niet geschikt voor een kalifaat. Daarom kan hij zich ook heel goed neerleggen bij het feit dat hij waarschijnlijk zal sterven tijdens de jihad. Hij zal sterven op het podium. In het harnas. Net als popsterren zijn jihadi’s niet voorbestemd voor een lang leven. Echte helden sterven jong. Ze leven kort maar krachtig. Dat zijn ze aan hun stand verplicht. Goed beschouwd zijn popsterren en jihadi’s van boven de veertig eigenlijk niet serieus te nemen.

Soms zag Saïd op tv politici die het probleem van de jihadistische dreiging probeerden op te lossen door “in dialoog” te gaan met de “Islamitische medemens”. Die brachten dan bijvoorbeeld een bezoek aan een plaatselijke moskee of nodigden een gematigde imam uit voor een debat. Af en toe ging hij daar dan wel eens kijken. Zo’n politicus leek echt het gevoel te hebben dat hij met een goed gesprek de wereldvrede een stukje dichterbij bracht. Als de uitgenodigde moslim na afloop verzoenende woorden sprak, werd dat gezien als een regelrechte overwinning op de fundamentalisten. Daar kon hij van genieten. Alsof de mening van zo’n keurig geïntegreerde moslim ook maar enige invloed zou kunnen op hen, de jihadi’s die het vuile werk opknappen. In werkelijkheid luisteren Saïd en de zijnen natuurlijk naar niemand. Vooral niet naar zo’n halve christen in een jelaba.

De Citroën draait de Rue Nicolas-Appert in. Saïd zet de radio uit. Nummer 6. Hier moet het zijn. Chérif trapt de rem in en kijkt Saïd indringend aan. Bij zijn linkeroog trilt iets.
“Dit is het broer”, zegt Chérif. “Hiervoor hebben we geleefd. Ben je er klaar voor?” Hij praat zacht. Alsof hij een sprookje vertelt aan zijn kinderen en nu bij het enge gedeelte is aangekomen.
“I was born ready”, antwoordt Saïd resoluut. Hij heeft die zin een keer gehoord in een film en wilde hem altijd al eens zelf gebruiken.

Ze trekken een bivakmuts over hun hoofd en stappen uit, trekken een sprintje naar de deur en bellen aan. Ze wachten, maar er gebeurt niets.
“Charlie!” roept Chérif uit. “Charlie! Waar is Charlie?!” Hij geeft een ferme trap tegen de deur.
Stilte. Saïd laat zijn hoofd zakken en denkt na.

“Je veters zitten los.”
“Wat?”
“Je veters zitten los.” Saïd wijst naar de schoenen van zijn broertje.
“Ja, klopt. Dat scheelt weer tijd als we straks bij de maagden zijn.”
Saïd zoekt vergeefs naar een lach. Chérif is bloedernstig.

Dan ziet Saïd iets bewegen in zijn ooghoeken. Een vrouw en een klein meisje. Ze staan op het punt naar binnen te stappen, een paar deuren verderop. Langzaam stapt hij op hen af.
“Goedemorgen,” zegt hij op vriendelijke toon. “Weet u misschien waar we de redactie van Charlie Hebdo kunnen vinden?”
De vrouw kijkt eerst naar zijn bedekte gezicht, dan naar zijn kalashnikov.
“Waar is Charlie?!” schreeuwt Chérif. Hij rent op de vrouw af en duwt de loop van zijn geweer tegen haar wang. De vrouw deinst achteruit en pakt het kleine meisje vast.
“Rustig aan”, sust Saïd. “We zullen je niet doden. Je bent een vrouw.”
Dan ziet hij dat bij nummer 10 ook “Charlie Hebdo” op de gevel staat.”
“Ken je de toegangscode?”, vraagt hij. De vrouw begint te snikken.
“Wilt u hem voor ons intikken, alstublieft?”
De vrouw drukt het kleine meisje nog steviger tegen zich aan en blijft bewegingsloos staan.
“Tik die kutcode in hoer!” schreeuwt Chérif. Hij richt zijn AK-47 nu op het meisje.

Saïd ziet hoe de vrouw versteend. Als een robot schuift ze naar de deur en tikt de code in.
Saïd grijnst. “L’enfer, c’est les autres”, denkt hij en hij stapt naar binnen.

2 responses

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *