Godverdomme Here Jezus

In Kampen, zo vernam ik van een collega toen we het hadden over huisdiernamen, heeft een man zijn honden Godverdomme en Here Jezus genoemd. En dat in een stadje dat in het hart van de bijbelbelt ligt. Had de man in pak ‘m beet Amsterdam gewoond, dan hadden zijn honden ongetwijfeld andere namen gehad.

Ik weet niet of het geven van blasfemische namen aan je honden onder de vrijheid van meningsuiting valt. Ik neem aan van wel. Als er iemand naar de rechter gaat om de man te dwingen zijn honden andere namen te geven, dan zal dat neem ik aan niet lukken.

U bent het wellicht met me eens dat het onaardig is van de man om zijn honden dergelijke namen te geven. Het is ordinair pesten. Toch vind ik het mooi dat we in een land wonen waar dat kan. En waar de Christenen hebben geleerd om dit te accepteren. Ook al is dat niet van harte. De meesten zouden waarschijnlijk liever in een land leven waar dit soort pesterijen niet getolereerd werden. Maar daar wonen ze niet en daar hebben ze mee te leven.

Geven en nemen
Dat ging natuurlijk niet zonder slag of stoot. Het voorbeeld dat altijd wordt aangehaald, is dat van Gerard Reve die voor de rechter moest verschijnen omdat hij in een brief aan zijn bank had gefantaseerd hoe de Heiland als ezel tot hem zou komen, waarna hij Hem in Zijn Geheime Opening bezat. De twee toespraken die Reve hield om zichzelf vrij te pleiten van blasfemie horen in de canon van de nationale geschiedenis thuis.

Een stuk recenter, precies twintig jaar geleden, wekte een column van Theodor Holman de wrevel van een Christen. In een stukje voor Het Parool had hij de volgende zin geschreven: ‘Nog steeds vind ik iedere christenhond een misdadiger, bidden iets kinderachtigs en de kerk een poppenkast, hoewel ik niemand het recht wil ontzeggen misdadiger of kinderachtig te zijn of van poppenkast te houden.’ Hij bleek te zijn aangeklaagd door een journalist van het Nederlands Dagblad, de heer Cordia. U kunt hier lezen hoe Theodor Holman dit heeft ervaren.

Je hoort vandaag de dag nogal eens dat het recht op vrijheid van meningsuiting niet verward moet worden met het recht op vrijheid van belediging. Echter, als puntje bij paaltje komt, dan is het geen kwestie van verwarren. Een belediging is een meningsuiting en je hebt wel degelijk het recht iets of iemand te beledigen. Waarbij er vervolgens ook nog zoiets bestaat als het recht zich beledigd te voelen en daar uiting aan te geven door iemand bijvoorbeeld hardop het eeuwige hellevuur toe te wensen. Het is een kwestie van geven en nemen. Laisser faire, laisser passer.

Zelfcensuur
In Trouw van deze zaterdag houdt antropologe Annette Jansen een pleidooi voor zelfcensuur. Volgens haar zijn we het zicht kwijtgeraakt op de oorspronkelijke betekenis van tolerantie: ‘gedogen, ruimte geven aan wie anders is of denkt.’ Die definitie van tolerantie lijkt me prima, maar ik zie niet in waarom dit voor zelfcensuur zou pleiten. Om met Theodor Holman te spreken: ik wil niemand het recht ontzeggen van poppenkast te houden, maar als ik dat nodig acht, wil ik niet dat iemand mij het recht ontzegt die poppenkast belachelijk te maken. Die ruimte moet mij gegeven worden. En anders heb ik het recht om ‘m op te eisen als ik dat wil.

Overigens mag van mij iedereen zichzelf zoveel censureren als hij of zij nodig acht. Wat me benauwt is dat iemand het mij probeert op te leggen, in de hoop zo de harmonie te bevorderen. Ik bepaal zelf wel in hoeverre ik de tere zieltjes van anderen voor mijn vlijmscherpe mening wil behoeden. Of in hoeverre ik woorden laat liggen uit angst dat ze gewelddadigheden van anderen kunnen uitlokken. Zelfcensuur is een vorm van vrijheid, maar het mag geen verplichting worden.

de plicht om de ander te snappen
Volgens Annette Jansen hebben wij de plicht om te ‘snappen waarom Mohammedcartoons hele bevolkingsgroepen diep kwetsen’. Maar die plicht hebben wij helemaal niet. Wij hebben de plicht om te blijven uitleggen dat iedereen het recht heeft andermans heilige symbolen belachelijk te maken, zelfs als dit enkel en alleen ten doel heeft de ander diep te kwetsen. Dat idee zou hier heilig moeten zijn.

Overigens kost het vaak aardig wat moeite om beledigd te worden. Neem de pater en de predikant die als eerste aanstoot namen aan Reve’s beschrijving van de Heiland als een muisgrijze ezel die door hem in Zijn Geheime Opening werd bezeten. Die moesten daarvoor het blaadje ‘Dialoog, tijdschrift voor homofilie en maatschappij’ aanschaffen. En de Arabische wereld ging zich pas opwinden over de Deense cartoons nadat een groepje imams er maanden mee hadden geleurd. En van Charlie Hebdo hadden de meeste moslims ook nooit gehoord totdat twee jihadisten wraak namen omdat hun God daar zelf te beroerd voor was. En als iemand Khomeini niet had gewezen op de blasfemische aard van de Duivelsverzen, dan had Rushdie al die jaren frank en vrij rond kunnen lopen en had zijn Japanse vertaler nog geleefd. Beledigd worden is ook een kwestie van graag willen.

Karel van het Reve
Doordat ik me afgelopen weekend weer een beetje in Holman en Reve zat te verdiepen, besloot ik de laatste delen van Het Verzameld Werk van Karel van ’t Reve eens uit de kast te halen om even te lezen wat hij ook alweer zei over de kwestie Rushdie. Naast het uiten van zijn verbazing over de aard van de kwestie (‘Adolf Hitler – ook een fundamentalist – is nooit zover gegaan dat hij een beloning uitloofde voor wie erin slaagde om in Engeland, Frankrijk, Zweden of Amerika Kurt Tucholsky of de gebroeders Mann of Bertolt Brecht te vermoorden’), stipt hij zijn bedenkingen aan bij het ‘in zulke gevallen helaas altijd weer optredende ‘begrip’ in de westerse wereld’. Volgens Van het Reve allerlei varianten op de uitspraak: ‘Verkrachten is natuurlijk verkeerd, maar het slachtoffer heeft het er door dat korte rokje wel naar gemaakt!’

Van het Reve roept nog een ander voorval in herinnering, die waarin Rudi Carel de Ayatollah had beledigd op de Duitse televisie. Toenmalige minister van Justitie Korthals Altes zou zich toen hardop hebben afgevraagd of wij ons wel ‘genoeg inleven in de gevoelens die in Iran leven’. Bovenstaande citaat van Annette Jansen is een duidelijke echo. Van het Reve: ‘Het is natuurlijk heel verkeerd je in die uiterst verwerpelijke gevoelens in te leven. (…) Natuurlijk moeten alle nationale minderheden, of het nu katholieken, protestanten, mohammedanen, hindoes, Krisjna-aanhanger, sjintoïsten, marxisten betreft, volledige vrijheid genieten om hun godsdienst te belijden. Maar zodra zij hun waan in gewelddadigheden gaan omzetten behoort de ME in te grijpen, en de regering behoort daar geen twijfel over te laten bestaan.”

Het schijnt zelfs dat de Nederlandse regering destijds wilde onderzoeken of met het uitgeven van Rushdie’s boek de wet werd overtreden. Waarbij ze, hoe kan het ook anders, dachten aan de wetsartikelen die smalende Godslastering strafbaar stellen. Zie ook de reactie van Donner op de moord op Van Gogh. En passant merkt Van het Reve op dat ze kennelijk niet hadden bedacht dat Mohammed volgens de leer van de islam geen God is maar een mens en dus niet onder deze wetsartikelen valt.

Hij eindigt zijn stuk met deze woorden: “Dat mensen goden en profeten willen aanbidden, al dan niet met gebruik van afgodsbeelden, is hun zaak. Maar anderen moeten de volle vrijheid hebben om daar smalende en lasterlijk opmerkingen over te maken. Natuurlijk is het onaardig om voortdurend gelovigen te pesten, en het is redelijk om iemands lichtgeraaktheid te ontzien, of het nu zijn gedichten, zijn moeder, zijn god, zijn inkomen of zijn oorlogsverleden betreft – maar je mening moet je kunnen zeggen, ook op smalende toon, lichtgeraaktheid of niet.”

Het is, als je tussen de Christenen leeft, niet meer dan een kwestie van fatsoen om je hond Fikkie en Brulboei te noemen in plaats van Godverdomme en Here Jezus. Maar als iemand het toch doet, dan moet hij die ruimte kunnen krijgen. Als je het echt zo erg vindt, kun je hem er vervolgens op aanspreken, je kunt ingezonden brieven schrijven, je kunt zijn nageslacht tot in de zesde generatie vervloeken, je kunt bidden dat hij een ernstige ziekte krijgt en erop vertrouwen dat jouw God hem tot in de eeuwigheid de meest ernstige martelingen zal toedienen (dat mag je hem zelfs vertellen), maar je kunt het hem niet verbieden.

17 responses

  1. Ik heb hier werkelijk niets aan toe te voegen. Ik bookmark deze pagina eeuwig for further reference. Voor als ik het waarom van vrijheid van meningsuiting weer es niet weet uit te leggen.

  2. Ach, en ik las van de week juist de dichtbundel ‘Theo, Theo, een vriendschap in sonnetten’, van Thedor Holman, Nijgh & Van Ditmar) . Theodor Holman is een onderschat dichter: de sonnetten gaan hem moeiteloos af, mooie bundel over een mooie vriendschap.
    Dat verhaal over die Kampenaar en zijn benamingen voor zijn twee honden – eigenlijk denk ik dat daar geen linkje o.i.d. over te vinden is. Het verhaal klinkt net iets te mooi om waar te zijn. In het dorp waar ik gewoond heb, ging vroeger het verhaal dat in een verderop gelegen dorp de huizen gemoderniseerd werden: het lavet eruit, de douche erin. Maar die dorpelingen zetten toen hun geiten in die douche.
    Lachen, natuurlijk in ons dorp. Jaren later hoorde ik een zelfde verhaal over naburig dorp, lavet, renovatie, douche en geit….. over een compleet ander dorp 250 kilometer verderop. En toen wist ik: propaganda.

  3. Deze collega heeft zelf in Kampen gewoond, toen ze daar op de kunstacademie (thans de ArtEZ te Zwolle) studeerde. Ze is niet het type dat broodjes aap in het leven roept.

  4. Beperkingen gesteld door Nederlandse wetgeving

    In de eerste plaats de zogenoemde antidiscriminatiebepalingen. Deze zien op het
    beschermen van groepen mensen in de samenleving tegen discriminatie, haat en
    geweld, op grond van hun ras, godsdienst of levensovertuiging, seksuele gerichtheid of handicap. Artikel 137c Sr stelt het zich in het openbaar beledigend
    uitlaten over een groep wegens wegens hun ras, godsdienst of levensovertuiging,
    seksuele gerichtheid of handicap strafbaar. Artikel 137d Sr bevat een verbod tot
    het aanzetten tot discriminatie, haat of geweld tegen leden van groepen wegend
    genoemde karakteristieken alsmede geslacht. Artikel 137e Sr verbiedt het
    openbaar maken, verspreiden of ter bestrijding in voorraad hebben van
    publicaties met een dergelijke inhoud anders dan voor zakelijke berichtgeving;
    het ongevraagd toezenden van dergelijk materiaal is eveneens strafbaar gesteld.
    Hoewel de genoemde bepalingen voordien in andere vorm in ons wetboek
    bestonden, zijn ze vooral een uitvloeisel van het Internationaal Verdrag inzake de
    Uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (1966). Dit VN-Verdrag moet
    worden gezien als een poging om verschrikkingen als die veroorzaakt door de
    rassenleer van nazi-Duitsland, tegen te gaan. De antidiscriminatiebepalingen in
    het Wetboek van Strafrecht stellen ons in staat in gevallen waarin dit is
    aangewezen op te treden tegen onder andere antisemitisme, homohaat, en
    bedreigingen met fysiek geweld.
    Een tweede categorie bepalingen stelt opruiing tot gewelden opruiing tot het
    plegen van strafbare feiten strafbaar (artikelen 131 en 132 Sr). Deze
    strafbaarstellingen zien vooral op het beschermen van de openbare orde –
    handhaving van het gezag – en het voorkomen van gewelddadigheden.
    Een derde categorie van bepalingen die kunnen worden gezien als beperking van
    het recht op vrijheid van meningsuiting, wordt gevormd door de
    strafbaarstellingen van smaad (artikel 261 Sr), laster (artikel 262 Sr) en
    eenvoudige belediging (artikel 266 Sr). Hier is het beschermde belang dat van het
    individu, dat kan opkomen tegen onterechte beschuldigingen aan zijn adres of
    beledigingen.

      • Dat artikel zou ook best de prullenbak in mogen:

        Artikel 266
        1. Elke opzettelijke belediging die niet het karakter van smaad of smaadschrift draagt, hetzij in het openbaar mondeling of bij geschrift of afbeelding, hetzij iemand, in zijn tegenwoordigheid mondeling of door feitelijkheden, hetzij door een toegezonden of aangeboden geschrift of afbeelding, aangedaan, wordt, als eenvoudige belediging, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
        2. Niet als eenvoudige belediging strafbaar zijn gedragingen die ertoe strekken een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen, en die er niet op zijn gericht ook in ander opzicht of zwaarder te grieven dan uit die strekking voortvloeit.

        Het hele internet kan worden opgedoekt! In de praktijk lijkt het mij ook heel moeilijk om tot een veroordeling te komen. Ik denk dat je altijd wel kan volhouden dat jouw belediging de openbare belangen diende. En hoe bewijs je of een belediging bedoeld was om iemand zwaarder te grieven dan uit de strekking voortvloeide?

        Deze artikelen geven ook valse hoop aan beledigden. Toen Theo van Gogh werd vermoord, zei Job Cohen nog: als je het niet met elkaar eens bent, dan ga je naar de rechter. Alleen, ik denk niet dat de Vereniging van Fundamentalistische Moslims een poot had om op te staan als ze Theo van Gogh zouden hebben aangeklaagd omdat ze zich beledigd voelden door de term geitenneuker (de spellingcheck wilde er weer eens geitenmelker van maken, maar dat laat ik nu niet gebeuren godverdomme here Jezus!).

        Alleen bij het strafbaar stellen van smaad en laster kan ik me iets voorstellen. Maar in de praktijk kan dat tot kwalijke zaken leiden, zoals toen Oppenheimer zijn cartoon over de ‘louche’ Hiddema moest rectificeren: http://www.volkskrant.nl/binnenland/oppenheimer-moet-cartoon-over-louche-hiddema-rectificeren~a3779895/

  5. Vrijheid van meningsuiting is toch dat jij me de hel in mag wensen omdat ik niet daar de regels van jouw denkbeeldige vriendje wens te leven terwijl ik jouw denkbeeldige vriendje naar de hel mag wensen omdat denkbeeldig is (en zijn volgelingen dus fantasten moeten zijn)? Ik zou het wel saai vinden als gelovigen mij niet meer naar de hel mogen wensen. Oh wacht …….

  6. Ik vind het jammer dat discussies over religie vaak gaan over “vrijheid van meningsuiting gebruiken om te pesten”. Religie is oplichting. Ordinaire misdaad, misbruik maken van een zwakte in het menselijk brein. En dat mensen zo stom zijn erin te trappen, hun probleem. Maar het feit dat zij anderen verkrachten met die kankerzooi, dat mensen hun kinderen niet inenten en bang maken met hel en verdoemenis is een ordinaire misdaad. Religieuzen zouden god op hun blote knieeen moeten danken dat die walgelijkheid van ze niet strafbaar is. Religie belachelijk maken is geen pesten, het is de heilige plicht van iedereen om aan religieus onderdrukten te laten zien: kijk, God bliksemt ons niet neer. God bestaat niet. Laat je niet bang maken door die gekken, die walgelijke smeerlapperij. Religieuzen “pesten” is een heilige daad van verlichting. DAAR moet de discussie over gaan.

    • En idem geldt voor die smerige Kapitalisten met hun “Verheerlijking van terrorisme moet verboden worden”. Andere kerk, zelfde gestoorden.

    • Iets te makkelijk. Je maakt geen onderscheid tussen georganiseerde religie en haar instituties enerzijds en persoonlijke opvattingen van individuen anderzijds. In je eigen aanvulling geef je het probleem al aan: je kunt zo heel veel meer instituties en opvattingen bedenken om te ‘pesten’. Maar wie bepaalt welke instituties en opvattingen gepest dienen te worden? Het leidt alleen maar tot dommige Fox News-achtige discussies van mensen die anderen voortdurend halve garen lopen te noemen en alleen maar luisteren naar mensen die precies dezelfde opvattingen hebben als zij. Ik zag laatst een interview met wat Amerikaanse Republikeinen die vertelden niet met Democraten om te gaan ‘omdat die altijd al hun meningen klaar hebben over Republikeinen’. Is dat de soort dogmatische dommigheid die je wilt?

  7. Ik zou u willen uitnodigen om deze lezing uit te spreken op het bordes van het gemeentehuis te Groningen voor een afgeladen Grote Markt. Waarna we op tournee gaan langs andere geschikte lokaties, zoals het Malieveld, Lincoln Memorial, Champs Elysees, Rode Plein, Branderburger Tor en dergelijke. Ik draag uw koffers, zorg voor altijd verse koffie en broodjes. Minstens. Maar ja…

  8. Toch is er de afgelopen vijftien jaar wel iets veranderd. Waar vrijheid van meningsuiting is dat je uiteindelijk, als puntje bij paaltje komt, heel veel mag zeggen, zijn er heel veel mensen die vrijheid van meningsuiting uitleggen als het recht (om niet te zeggen de plicht) om groepen waar je een hekel aan hebt voortdurend en zo bot mogelijk te beledigen.

    Laten we wel zijn: daar wordt een samenleving óók niet gezonder van. Samenleven vraagt een geven en nemen. Dat betekent dat enerzijds een gelovige ook wel eens mag denken dat hij iets een ongelofelijk botte opmerking vindt maar dat niet iedereen hetzelfde hoeft te denken als hij, terwijl anderzijds een ongelovige een ander zijn opvattingen laat. Zoals ik het altijd zeg: ik vraag de ruimte om niet gelovig te zijn, dan moet ik een ander ook de ruimte geven om wèl gelovig te zijn.

    Natuurlijk zal dat dan nog steeds op bepaalde momenten schuren – en misschien wel meer dan dat – maar het recht om te beledigen is geen vrijbrief om je als een hork te gedragen. Een samenleving is gebaat bij een bandbreedte waarin iedereen zich min of meer thuisvoelt. Uitschieters zijn gewoon toegestaan, maar een enkele uitschieter is beter te accepteren dan voortdurend en op luide toon uitschieters voor je kiezen te krijgen – wat je opvattingen ook zijn.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *