Buggy

Het kerstdiner van twee jaar terug was een groot succes. Tot op een bepaalde hoogte. Met het etentje an sich was niet veel mis. Echter, een diner is méér dan slechts voedsel tot je nemen.

Wij, mijn lief en ik, hadden een klein restaurantje geboekt, dat bekend stond om zijn uitstekende kwaliteit voedsel, voor betrekkelijk redelijke prijzen.

Inderdaad, de drie gangen die wij tijdens de late zitting tot ons namen, waren niet te versmaden.

Gerookte zalm op een aardappelpannenkoek met limoencrème en bieslook. Hertenbiefstuk met kastanjechampignons en gebakken schorseneren, geserveerd met peper-cognac-saus. Chocoladefondant met een sorbet van bloedsinaasappel. Drie gangen om je vingers bij af te likken, wat wij dan ook deden, tijdens het nagerecht.

Na afloop perfect gebrande koffie met fudge, en onze avond kon niet meer stuk. Bleek perfect. Was een droomavond. Een die mij nog decennia lang heugen zou, zo schatte ik in.

Toen pakte ze mijn hand vast en vertelde me, dat ze een kind van me wilde.

Ik weet niet hoelang exact ik buiten westen ben geweest, misschien vijf minuten, mogelijk een half uur. Toen ik weer bijkwam keek ik in het geschrokken gezicht van de meelevende gerant, die ongetwijfeld dacht dat er iets met het eten mis was geweest. Hij bood ons een dinerbon aan, iets wat hij ons, zo verzekerde hij mij, op z’n minst verschuldigd was. Ik vond het best, ik wist dat mijn wegvallen een andere oorzaak had gehad.

Twee weken terug zag ik haar weer. Een jonge knul, haar nieuwe minnaar, aan haar zijde. Niet overmatig knap maar ook niet echt lelijk, ergens tussenin. Ze duwde een buggy voort. Dat had mijn koter kunnen zijn, dacht ik vol melancholie en zelfbeklag.

Toch was ik op een bepaalde manier opgelucht.

[ Uit de bundel: Morrissey, Morrison & Van Morrison ]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *