De Bijbel | De laatste loodjes van Genesis

BIJBEL MOLOVICH

Zeven jaar geleden begon ik op Panzerfaust de Bijbel Lees Sessies.  Dit is aflevering 21.

In de vorige aflevering lazen wij hoe God de hele wereld met een hongersnood teisterde met geen ander doel dan Jozef en diens broers een lesje in nederigheid te leren. Gelukkig waren de broers te blij om zich al te gepikeerd te voelen en ging men opgetogen terug naar huis om hun vader Jakob (a.k.a. Israël) het goede nieuws te vertellen dat zijn lievelingszoon nog steeds in leven was. Aanvankelijk bleef het hart van Israël koud toen hij het heuglijke feit vernam, omdat hij het niet wenste te geloven. Zijn zonen hadden hem immers wel vaker met een dode mus blijgemaakt, Benjamin zelfs letterlijk. Maar toen hij alle verhalen hoorde, en al het moois zag wat Jozef zijn broers had meegegeven, draaide zijn gemoed om als een windhaan die na een jarenlange winter met louter strenge noorderwind, ineens een zuidelijk lentebriesje om de oren kreeg. “En Israël zeide: Het is genoeg; mijn zoon Jozef leeft nog; ik wil gaan en hem zien, eer ik sterf.” (Gen. 45:28)

Nadat Israël naar Egypte was vertrokken en bij Berseba zijn God enige offers bracht, kwam God weer eens met een mooi staaltje mosterd-na-de-maaltijd op de proppen, door Israël op te dragen naar Egypte te gaan om zijn zoon te zien: “Toen zeide Hij: Ik ben God, de God van uw vader, vrees niet naar Egypte te trekken, want Ik zal u daar tot een groot volk maken. Ik zal zelf met u naar Egypte trekken en Ik zal u ook zeker weer terugvoeren en Jozef zal u de ogen toedrukken.” (Gen. 46;3-4) Het was natuurlijk bedoeld als hart onder de riem, maar ik vind het eerlijk gezegd van een huigelachtigheid die z’n weerga niet kent. God had ook in de jaren hiervoor wel even aan Israël kunnen duidelijk maken dat zijn lievelingszoon nog in leven was, en dat alles goed zou komen. Maar Hij moest alles weer zo nodig in het ongewisse laten om Zijn punt duidelijk te maken. God doet me een beetje denken aan schrijvers als Arnon Grunberg die het hele leven en iedereen die hun paden kruist, zien als stof om te verliteraturiseren, en die er niet voor terugdeinzen om het leven en de mensen om hen heen zo te bespelen dat het betere literatuur oplevert. Al die hongersnoden, die ellende, de twijfels die mensen hebben waar het hun lot aangaat, al die treiterijen, enkel en alleen om van de Bijbel een beter boek te maken. Het gaat Hem goed af, dat moet gezegd, want het levert goede verhalen op, maar het lukt me toch niet om nooit medelijden te hebben met de Abrahams, en de Isaäks en de Jakobs en de Jozefs en de Mozessen en de Jobs en vooral ook al die bijfiguren die niet het geluk hebben dat God zo nu en dan tot hen het woord richt en zegt dat alles goed komt zolang ze maar het geduld weten op te brengen alles te lijdzaam te ondergaan.

Maar goed, dat gezegd hebbende, kunnen we weer verdergaan. Israël trekt met heel zijn nageslacht naar Egypte, waar het weerzien met zijn lievelingszoon vanzelfsprekend hartverscheurend is: “Toen hij hem ontmoette, viel hij hem om de hals en weende geruime tijd aan zijn hals. Toen zeide Israël tot Jozef: Nu kan ik sterven, nadat ik uw aangezicht gezien heb, omdat gij nog leeft.” (Gen. 46:30) De farao schenkt de familie van Jozef vervolgens het beste deel van het land Egypte, waarna Israël (die nu ineens weer Jakob wordt genoemd) de farao zegent en iedereen nog redelijk lang en min of meer gelukkig leeft en er nog het een en ander gebeurt.

Zo neemt Jozef tijdens de volgende crisis die Egypte teistert de rol van Wouter Bos op zich en nationaliseert hij het een en ander, zodat hij volgens een strak regime de onderdanen van de Farao al die tijd van eten kan voorzien. Eerst verkoopt Jozef al het brood dat hij in de voorgaande jaren heeft verzameld in ruil voor geld. Als het geld in Egypte en Kanaän op is, vraagt Jozef vee voor het brood. Als het vee ook op is, vraagt Jozef aan de onderdanen grond in ruil voor zaad, mits zij beloven een vijfde deel van de opbrengst aan de Farao af te geven. Aldus introduceert Jozef de vlaktax: “En Jozef maakte het tot een inzetting tot op de huidige dag met betrekking tot het grondbezit in Egypte, dat Farao daarvan een vijfde deel zou hebben; alleen de grond der priesters kwam niet aan Farao.” (Gen 47:26) Het soort beleid waarvan ook de Scientology of de As-Soennah moskee, om een tweetal relegieuze instellingen van algemeen nut te noemen, nog steeds de belastingvrije vruchten plukken.

Inmiddels ligt vader Jakob op sterven, maar voordat hij heengaat (of, zoals hij zelf zo mooi zegt: “Ik word tot mijn voorgeslacht vergaderd” [Gen 49:29]), wenst hij zijn twaalf zonen ieder hun eigen zegen te geven. Die twaalf zonen zijn de stamvaders van de twaalf stammen van Israël. Met die zegens bezegelde hij in feite het lot van de verschillende stammen, wat tot op de dag van vandaag z’n weerklank heeft, zo besefte ik toen ik onlangs ‘Klaaglied van een voorhuid’ las, waarin de uit New York afkomstige schrijver Shalom Auslander zijn frustraties over zijn orthodox joodse opvoeding over 269 pagina’s uitspuugt. Shalom is inmiddels met zijn ouders gebroken, maar de God die zijn jeugd heeft verpest met allerlei angstvisioenen wenst hem maar niet los te laten. Shalom is een Leviet, de stam met Levi als stamvader. Levi krijgt, samen met zijn broer Simon, van Jakob de volgende zegen mee: “Simeon en Levi zijn broeders; hun gereedschappen zijn werktuigen van geweld. Mijn ziel hebbe geen deel aan hun beraadslaging, mijn geest sluite zich niet aan bij hun vergadering, want in hun toorn hebben zij mannen gedood en in hun moedwil hebben zij runderen pezen doorgesneden. Vervloekt zij hun toorn, want die is hevig, en hun grimmigheid, want die is hard. Ik zal hen verdelen onder Jakob en verstrooien onder Israël.” (Gen. 49:5-7) Die laatste woorden betekenen dat Levi geen land kreeg van Jakob en in feite werd onterfd. Je bent er mooi klaar mee, met zo’n zegen die eigenlijk een verkapte vervloeking is.

Bij de vader van Shalom werkte het als een zichzelf vervullende profetie. De vader van Shalom heeft namelijk nogal losse handjes waarmee hij zijn kinderen, en dan met name de broer van Shalom, wenst op te voeden. Hij was nu eenmaal een Leviet: “Behalve om hun vakmanschap stonden de Levieten ook bekend om hun woede. Levi was zelf nogal geneigd tot woedeaanvallen en had geweldsuitbarstingen gehad, die zo erg waren dat zijn vader Jakob weigerde hem erfgenaam te maken. Hij probeerde zijn broer Jozef te vermoorden. Hij slachtte het hele Hevieten-volk af. Na de zonde van het gouden kalf waren het de Levieten die Mozes uitkoos om door het kamp te rijden en alle afgodendienaars te vermoorden. En de Levieten deden naar het woord van Mozes en er vielen van het volk op die dag ongeveer drieduizend man.” (‘Klaaglied van een voorhuid’, p. 39-40) Nu schijnen de Joden het nooit zo nauw te hebben genomen met wie tot welke stam precies hoorde, maar het woord is nu eenmaal belangrijk in de Joodse cultuur. Enkel door te zeggen dat er licht was, creëerde God immers licht. Nomen est omen. De vader van Shalom is een Leviet, wat in zijn geval betekende dat hij op twee manieren zijn handen liet spreken: als meubelmaker en als opvoeder.

Levi en Simeon zijn overigens niet de enige wier zegeningen verkapte vervloekingen zijn. Zo krijgt Issaschar bijvoorbeeld te horen dat hij een bonkige ezel is: “Als hij ziet, dat de rust goed is, en dat het land liefelijk is, buigt hij zijn schouders om te torsen en leent zich tot slaafse herendienst.” (Gen. 49:14-15) Gad krijgt te horen dat een bende hem zal belagen, maar dat hij hun hielen zal belagen (Gen. 49:19). Jozef krijgt uiteraard te horen dat hij een jonge vruchtboom is aan een bron (Gen. 49:22). Ieder krijgt wat hem toekomt.

Na de zegeningen wordt Jakob tot zijn voorgeslacht vergaderd en begraven zijn zonen hem (zoals ze hem bezworen hadden) in zijn thuisland, in de spelonk die hij vele jaren eerder had gekocht van de Hethiet Efron. De twaalf broers keren vervolgens weer terug naar Egypte, ook zoals ze hun vader beloofd had. Het duurt dan niet lang voordat ook Jozef sterft: “En Jozef deed de zonen van Israël zweren: God zal zeker naar u omzien; dan zult gij mijn gebeente van hier meevoeren. En Jozef stierf, honderd en tien jaar oud, en men balsemde hem en hij werd in een kist gelegd, in Egypte.” (Gen 50:26)

Zo eindigt Genesis, hoofdstuk 1 van het Oude Testament. God heeft de wereld en de mens geschapen, hij heeft de mens uit het Paradijs gejaagd, de zondvloed neer laten dalen, Noach beloofd dat nooit meer te doen, Abraham zijn zoon bijna laten vermoorden, de vrouw van Lot in een zoutpilaar veranderd, een nacht lang met Jakob geworsteld, een hongersnood gecreëerd om Jozef en zijn broers te laten zien dat je blij moet zijn met wat je hebt, Jakob gelukkig laten sterven, zijn macht misbruikt en zijn onderdanen al die tijd het Beloofde Land als kosjere worst voorgehouden. De beenderen van Jozef zullen voorlopig nog in Egypte blijven, totdat Mozes ze in hoofdstuk 2 (Exodus) meeneemt uit Egypte naar Israël.

One response

  1. Helaas vervielen de joden in de Bijbel geregeld in zonden door valse afgoden te gaan aanbidden waardoor ze, na hun uittocht uit Egypte, decennia’s lang werden belaagd door allerlei antisemitische volkeren! En dat hield zelfs in het Beloofde Land niet op waarna honderden jaren later de joden uit Israel werden weggevoerd!
    Maar ook de leiders van de heidense volkeren werden eregeld door God gestraft voor hun zonden waaronder een bepaalde koning uit Babylon, een zondige stad! Lees dit verhaal daar eens over:

    Daniël 5 Het Boek

    Een teken aan de wand

    Koning Belsazar nodigde ooit duizend hoge bestuurders uit voor een groots feest, waarbij de wijn rijkelijk vloeide. Onder het genot van de wijn bedacht Belsazar dat zijn vader Nebukadnezar ooit eens gouden en zilveren bekers had meegenomen uit de tempel in Jeruzalem.
    Hij liet deze heilige bekers halen, zodat hij en zijn hoge ambtenaren, zijn vrouwen en bijvrouwen eruit konden drinken. De bekers uit de tempel, Gods huis in Jeruzalem, werden gebracht. De wijn werd ingeschonken en de koning en zijn bestuurders, zijn vrouwen en bijvrouwen, hieven het glas op hun goden, gemaakt van goud en zilver, koper, ijzer, hout en steen.

    Plotseling verschenen er vingers van een mensenhand uit het niets die iets schreven op de gepleisterde muur tegenover de kroonkandelaar. De koning zag met eigen ogen de rug van de schrijvende hand. Hij verbleekte en werd zo bang dat zijn knieën knikten en zijn benen het begaven.
    ‘Breng de bezweerders, astrologen en waarzeggers allemaal hier!’ schreeuwde hij. ‘Wie kan lezen wat daar op de muur staat en mij vertelt wat het betekent, zal worden gekleed in purperen kleren van koninklijke waardigheid en een gouden ketting om zijn hals krijgen. Hij zal als derde man het koninkrijk regeren!’
    Maar toen de geleerden kwamen, kon geen van hen het geschrevene begrijpen of maar verklaren. De angst van de koning nam toe. Zijn gezicht was doodsbleek en ook zijn bestuurders waren ontzet.
    Toen de koningin de kreten hoorde, haastte zij zich naar de feestzaal en zei tegen Belsazar: ‘Majesteit! Het is niet nodig zo bang te worden! Er is een man in uw koninkrijk in wie de geest van de heilige goden woont. In de tijd van uw vader bleek deze man te beschikken over grote wijsheid en diep verstand, een wijsheid als die van de goden. Uw vader Nebukadnezar benoemde hem tot hoofd van de geleerden, bezweerders, astrologen en waarzeggers.
    Laat deze man Daniël, of Beltsazar zoals de koning hem noemde, hier komen. Hij is enorm wijs en heeft buitengewoon veel kennis en inzicht. Hij kan deze dromen verklaren, raadselachtige spreuken oplossen en knopen ontwarren. Hij zal u kunnen vertellen wat deze woorden betekenen.’

    Daniël werd in allerijl naar de koning gebracht en de vorst vroeg: ‘Bent u de Daniël die mijn vader uit Juda heeft weggevoerd? Ik heb gehoord dat de geest van de goden in u woont en dat u beschikt over een bijzondere verlichting, een groot verstand en erg veel wijsheid. Mijn wijze mannen en bezweerders zijn bij mij geweest en hebben geprobeerd de woorden op de muur te lezen en die aan mij te verklaren, maar zij waren daartoe niet in staat.
    Ik heb echter gehoord dat u allerlei geheimen kunt ontsluieren. Welnu, als u mij hier de betekenis van deze woorden kunt uitleggen, zult u worden gekleed in purperen kleren en een gouden ketting om uw hals krijgen. Bovendien zult u als derde man regeren over mijn rijk.’

    Daniël antwoordde: ‘Geef uw geschenken maar aan een ander want ik heb daar helemaal niets aan. Ik zal u evengoed wel vertellen wat daar staat en wat het betekent maar het is alleen geen prettige boodschap wat daar staat geschreven.
    Majesteit, God, de Allerhoogste, heeft uw vader Nebukadnezar een koninkrijk en eer, luister en majesteit geschonken. Hij schonk hem zoveel macht dat alle volken ter wereld voor hem beefden van angst en ontzag. Hij doodde wie hij wilde en spaarde wie bij hem in de gunst stond. Naar zijn believen werden mensen verhoogd of vernederd. Maar toen hij trots en overmoedig werd, is hij van de troon gestoten en van zijn eer beroofd.
    Hij werd verstoten uit de samenleving en zijn innerlijk veranderde in dat van een dier. Hij woonde bij de wilde ezels, at gras als een koe en zijn lichaam werd nat van de dauw uit de hemel. Dat bleef zo tot hij erkende dat God, de Allerhoogste, de opperheerschappij voert over alle koninkrijken op aarde en dat Hij daarin aanstelt wie Hij wil.
    U, zijn zoon Belsazar, was van dit alles op de hoogte, maar u hebt u desondanks alleen niet vernederd. Want u hebt zich boven de Here van de hemel willen verheffen en u hebt deze heilige bekers, die uit zijn tempel afkomstig zijn, hier laten brengen. U en uw hoge ambtenaren, vrouwen en bijvrouwen hebben daaruit wijn gedronken en het glas geheven op uw afgoden, die echter niet kunnen praten, zien, horen of iets begrijpen.
    Maar u hebt niet de God vereerd die uw adem in zijn hand heeft en over uw levenslot beschikt. Daarom heeft God deze vingers gestuurd om deze boodschap op te schrijven: “Mene, mene, tekel ufarsin.”

    De uitleg is:

    “Mene” betekent “geteld”: God heeft de dagen van uw regering geteld en zij zijn ten einde.

    “Tekel” betekent “gewogen”: u bent gewogen en te licht bevonden.

    “Peres” betekent “verdeeld”: uw koninkrijk zal aan de Meden en Perzen worden gegeven.’

    Op Belsazars bevel trok men Daniël purperen kleren aan en hing hem een gouden ketting om zijn hals. Hij werd benoemd tot derde heerser over het rijk.
    Nog diezelfde nacht stierf Belsazar, de koning van de Chaldeeën, door toedoen van de Meden en Perzen die zijn rijk waren binnengedrongen en hiermee de hoogmoedige koning vreselijk hadden afgestraft!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *